THEMA

BTW OP ADVOCAATKOSTEN NIET AFTREKBAAR

Feiten

Belanghebbende in deze zaak exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een administratiekantoor. Daarnaast is belanghebbende enig bestuurder van een stichting X. Door de stichting wordt een factuur uitgereikt aan belanghebbende inzake het doorbelasten van juridische advieskosten over een aantal jaren. Ter zake van deze factuur is door de stichting btw in rekening gebracht aan belanghebbende. Belanghebbende heeft deze btw in aftrek gebracht. De juridische kosten hebben betrekking op een civiele procedure van belanghebbende in verband met een aantal overeenkomsten tot effectenlease. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur een aantal posten gecorrigeerd door middel van een naheffingsaanslag. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de btw ter zake van de juridische kosten. In geschil is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, of belanghebbende deze btw terecht in aftrek heeft gebracht.

Rechtbank

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende ondernemer is voor de btw en de onderneming het administratiekantoor is. De rechtbank oordeelt verder dat belanghebbende in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderneming zich ook bezig houdt met vermogensbeheer. De enkele verwijzing naar de omschrijving van de activiteiten in de registers van de Kamer van Koophandel was volgens de rechtbank onvoldoende. Voorts merkt de rechtbank op dat de aandelenleaseproducten niet in de jaarstukken van de onderneming zijn opgenomen. De aandelenleaseproducten staan volgens de rechtbank dan ook los van de onderneming en de btw op de advocaatkosten is derhalve niet aftrekbaar. Dat het geld voor de effectenlease afkomstig was uit de onderneming achtte de rechtbank irrelevant.

Oordeel Gerechtshof

Het Gerechtshof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank. Het Hof merkt op dat de bewijslast dat recht op aftrek van voorbelasting bestaat, bij de belastingplichtige ligt. Volgens het Hof heeft belanghebbende niet aan deze bewijslast voldaan, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de kosten in het kader van de onderneming zijn gebruikt. Belanghebbende heeft daarom geen recht op aftrek van voorbelasting.

Commentaar

Op grond van artikel 15 Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat alleen recht op aftrek van voorbelasting voor zover goederen en diensten worden gebruikt voor btw-belaste handelingen. In casu stelt de belanghebbende dat de effectenlease valt binnen zijn onderneming. De inspecteur betwist dit. Zoals het Hof opmerkt, ligt de bewijslast dat recht op aftrek bestaat bij de ondernemer. In dit geval had belanghebbende bewijsstukken moeten inbrengen om aannemelijk te maken dat de effecten inderdaad onderdeel vormen van de onderneming. Wel merk ik op dat als belanghebbende in deze zaak aannemelijk had kunnen maken dat de effecten binnen zijn onderneming vallen, ook aannemelijk moet worden gemaakt dat deze onderdeel vormen van de economische activiteiten van de onderneming. Alleen als dit het geval is bestaat namelijk recht op aftrek van voorbelasting. Of hij dit als administratiekantoor aannemelijk had kunnen maken, acht ik nogal onwaarschijnlijk.