THEMA

VERDRAGEN IN DE RECHTSPRAAK

Waaraan mag de rechter toetsen?

Een rechter mag wetten en verdragen niet toetsen aan de Grondwet (art. 120 Grw). Eveneens is het hem niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (art. 11 Wet AB). Wanneer een wettelijk voorschrift discriminerend is, dan mag de rechter deze niet op grond van art. 1 van de Grondwet buiten toepassing verklaren. Wél mag hij nagaan of en in hoeverre een wet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen (art. 94 Grw.). Wanneer blijkt dat sprake is van onverenigbaarheid van de Nederlandse wet met een bepaling uit een verdrag, dan vindt de wet geen toepassing.

Gelijkheidsbeginsel

In plaats van een appèl op het gelijkheidsbeginsel (verbod op discriminatie) van art. 1 Grw., kan men via een omweg toch op dat beginsel een beroep doen. Namelijk via het gelijkheidsbeginsel dat eveneens is verankerd in art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR. De rechter zal eerst bekijken of daadwerkelijk sprake is van gelijke gevallen bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Wanneer de wetgever onderscheid heeft aangebracht, dan dient de rechter na te gaan welke motieven daaraan ten grondslag liggen. Bijkomend heeft de wetgever op fiscaal terrein een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of voor toepassing van art. 14 EVRM/art. 26 IVBPR gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden gerespecteerd, tenzij dat oordeel van redelijke grond ontdaan is.

Zaak 1: mantelzorgcompliment

In de eerste zaak (ECLI:NL:GHDHA:2016:1215) kwam de vraag aan bod of het discriminerend is, wanneer iemand een mantelzorgcompliment ontvangt in het jaar van overlijden ten opzichte van iemand die dat het jaar voorafgaand aan het overlijden heeft ontvangen. De belastingplichtige beoogde hiermee als fiscaal partner voor de Successiewet te worden aangemerkt en daardoor gebruik te kunnen maken van de partnervrijstelling. Uit de wetshistorie blijkt dat gekozen is voor een mantelzorgcompliment in het jaar voorafgaand aan het overlijden, omdat anders de maatregel nauwelijks controleerbaar is en het gevaar van oneigenlijk gebruik en fraude ontstaat. De rechter is van oordeel dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven en heeft kunnen menen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om onderscheid te maken tussen personen die wel en niet een mantelzorgcompliment hebben genoten in het jaar voorafgaand aan het overlijden.

Zaak 2: WOZ-waarde

In de andere zaak (ECLI:NL:GHDHA:2016:1214) beriep de belastingplichtige zich op art. 1 EP bij het EVRM, waarin het recht op ongestoord genot van eigendom is opgenomen. Een recht dat niet is vastgelegd in de Grondwet. In 2010 verkreeg belastingplichtige krachtens erfrecht een woning. Sinds 2010 geldt dat een woning in aanmerking wordt genomen naar de WOZ-waarde in het jaar van de (erfrechtelijke) verkrijging en dat vond de belastingplichtige een inbreuk maken op zijn eigendomsrecht. Het Hof refereert naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad, waarin deze heeft uitgemaakt dat de wetgever een zekere ruwheid mag aanvaarden omwille van de eenvoud in de uitvoering. Bovendien heeft de wetgever de gekozen benadering voldoende onderbouwd, zodat niet gezegd kan worden dat de maatregel elke redelijke grond ontbeert. Van strijdigheid met art. 1 EP bij het EVRM is geen sprake.

Tot slot

Een Nederlandse rechter komt niet snel tot het oordeel dat sprake is van strijdigheid met het (verdragsrechtelijke) gelijkheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom. De reden is dat in beide gevallen de wetgever, vooral wanneer het fiscale materie betreft, een ruime beoordelingsbevoegdheid toekomt om keuzes te maken. Desalniettemin blijft voor de belastingplichtige: niet geschoten is altijd mis.