THEMA

BOX 3-HEFFING NIET IN STRIJD MET EU-RECHT

Buitensporige last

De persoon in kwestie gaf in zijn IB-aangifte 2011 onder meer een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) aan van € 71.878. Zijn bezittingen bestonden voor € 343.141 uit banktegoeden, voor € 1.707.359 uit aandelen en obligaties, voor € 339 uit vorderingen en voor € 163.695 uit onroerende zaken. De belanghebbende stelt dat het fictieve rendement van 4% in box 3 in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Er is volgens hem sprake van een individuele, buitensporige last. Temeer, omdat zijn bezittingen geheel of grotendeels bestonden uit bank- en spaartegoeden en geldmarktfondsen. Hij heeft het percentage van 4 niet gehaald in de 12 jaren vanaf de invoering van de Wet IB 2001. Ook op langere termijn bezien overschrijdt volgens de belastingplichtige het wettelijke percentage de spaarrente in belangrijke mate en dat geldt ook voor het gemiddelde rendement op alle andere belangrijke beleggingscategorieën.

Oordeel

Hof Den Haag, 23 maart 2016 wijst in haar uitspraak op het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015. De belastingplichtige maakt volgens het hof niet aannemelijk dat hij voldoet aan de 2 criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd te weten:
  • dat het destijds door de wetgever voor langere tijd veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is;
  • dat deze beleggers daarom, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Ook maakt de belanghebbende volgens het hof niet aannemelijk dat sprake is van een individuele, buitensporige last.
De persoon in kwestie is het er niet mee eens en ging in cassatie. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81, lid 1, RO).