THEMA

CBS: 2,7% KOOPKRACHTSTIJGING IN 2016

Doorsnee koopkrachtstijging

De koopkracht werd nauwelijks gedrukt door de stijging van de consumentenprijzen (0,3%). Het betreft de doorsnee koopkrachtstijging: van de ene helft van de bevolking steeg de koopkracht met 2,7% of meer, van de andere helft groeide de koopkracht minder dan 2,7%. Bij een stijging van de koopkracht groeit het inkomen meer dan het gemiddeld prijsniveau en kunnen meer goederen en diensten worden gekocht. Van 1 op de 3 Nederlanders daalde de koopkracht in 2016.

Werknemers

Werknemers hadden in doorsnee met 4,9% de grootste koopkrachtstijging in 2016. Naast de gestegen cao-lonen profiteerden zij van fiscale maatregelen zoals een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van het tarief in de tweede en derde schijf van de inkomstenbelasting. Ondanks deze lastenverlichting op arbeid daalde de koopkracht vorig jaar bij 28% van de werknemers, bijvoorbeeld omdat zij minder uren gingen werken.

Zelfstandigen

De koopkrachtstijging van zelfstandigen is voorlopig geraamd op 1,8%. Hun inkomen bestaat vooral uit winst. Voor een deel van de zelfstandigen is die nog niet definitief vastgesteld. Zelfstandigen hadden voordeel van dezelfde fiscale maatregelen als werknemers, maar betaalden wel een hogere inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Daarbij varieert de koopkrachtontwikkeling binnen de groep zelfstandigen fors. Terwijl de koopkracht bij een vijfde van de zelfstandigen met ten minste 12,5% daalde, nam deze bij een even grote groep toe met 18% of meer.

Gepensioneerden

Gepensioneerden zagen hun koopkracht in doorsnee met 0,9% toenemen. In veel gevallen hadden pensioenontvangers profijt van een verhoging van de ouderenkorting, maar ze hadden ook nog steeds te maken met het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen. Daarnaast betekende het afschaffen van de ouderentoeslag dat een deel van de gepensioneerden meer belasting over hun vermogen moest betalen.

Gezinnen

De koopkracht van (personen in) eenoudergezinnen steeg in doorsnee met 3,4%. Paren met kinderen gingen er 5,0% op vooruit. Dit was mede het gevolg van een verhoging van de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De gunstige kindregelingen betekenden voor een vijfde van alle gezinnen een koopkrachtstijging van ruim 14% of meer. Voor driekwart van de paren met kinderen is inkomen als werknemer de belangrijkste inkomensbron. Hun koopkrachtwinst is daarom vergelijkbaar met die van werknemers. Van de paren zonder kinderen ontvangt bijna de helft vooral pensioen, waardoor hun koopkracht minder toenam.