THEMA

6 RICHTSNOEREN VOOR DE BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDS BELASTINGPLICHTIGEN

Bij het bepalen of een onderneming buitenlands belastingplichtige is of niet gaat het om de plaats waar de effectieve leiding is gevestigd. Maar er zijn meer factoren van belang!

De belasting wordt geheven over het belastbaar Nederlands bedrag, dat is het inkomen min de te verrekenen verliezen die in Nederland zijn geleden.

En waaruit bestaat het belastbaar inkomen? De belangrijkste bestanddelen zijn de voordelen uit een onderneming met een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland en de inkomsten uit aanmerkelijk belang aangehouden om inkomstenbelasting bij een ander te vermijden.

1. Onderscheid binnenlands en buitenlands belastingplichtigen

Daarom is het belangrijk om eerst te bepalen of sprake is van een binnenlandse of buitenlands belastingplichtige. Daarvoor is van belang waar de onderneming is gevestigd.

Wanneer in Nederland gevestigd?

Als een vennootschap naar Nederlands recht is opgericht, wordt ervan uitgegaan dat deze in Nederland is gevestigd (artikel 2, lid 4 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)). De belastingplichtige kan wel op basis van feiten en omstandigheden aantonen dat dit niet zo is.

Bij de vraag of een onderneming in Nederland is gevestigd gaat het om de feiten en omstandigheden (artikel 4, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). In de rechtspraak zijn criteria voor het bepalen van de vestigingsplaats opgesteld.

Van belang is waar de effectieve leiding is gevestigd. Andere relevante factoren zijn:

  1. de woonplaats van de directeuren en de leden van de Raad van Commissarissen,
  2. de plaats waar de belangrijke bestuurs- en aandeelhoudersvergaderingen worden gehouden,
  3. de woonplaats van de individuele (meerderheids-) aandeelhouder,
  4. de plaats waar zich de bedrijfsactiva en boeken bevinden en
  5. de aard en locatie van de ondernemingsactiviteiten.

Bij buitenlandse rechtsvormen let de fiscus onder andere op:

  1. de statutaire zetel (officiële vestigingsplaats van het bedrijf);
  2. de feitelijke zetel (plaats waar bedrijf wordt uitgeoefend);
  3. de plaats waar de hoofdleiding gevestigd is;
  4. de plaats waar de algemene aandeelhoudersvergadering bijeenkomt.

2. Welke entiteiten worden als buitenlands belastingplichtige beschouwd?

Er zijn 4 entiteiten die als buitenlands belastingplichtige worden beschouwd:

  1. verenigingen en andere rechtspersonen;
  2. open commanditaire vennootschappen en andere niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
  3. doelvermogens;
  4. op Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigde lichamen die een onderneming drijven met behulp van een vaste inrichting op de BES eilanden of een vaste vertegenwoordiger op de BES eilanden.

3. Waarover wordt een buitenlands belastingplichtige belast?

Als u op deze manier hebt vastgesteld dat een entiteit buitenlands belastingplichtige is, moet u daarna de belastinggrondslag bepalen. Bij buitenlands belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het belastbaar Nederlands bedrag. Dat is het inkomen verminderd met de te verrekenen verliezen die in Nederland zijn geleden. De verliezen mag u verrekenen met de winst van het voorafgaande jaar en de negen toekomstige jaren.

Het genoten Nederlands inkomen komt vooral uit een van deze bronnen:

  1. de belastbare winst uit een onderneming die in Nederland wordt gedreven of een deel van een onderneming dat in Nederland met behulp van een vaste inrichting wordt gedreven;
  2. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang dat wordt aangehouden met als

(een van de)hoofddoel(en) om de heffing van inkomstenbelasting ergens anders te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige (reeks van) constructie(s) of transactie.

Als in Nederland geen belastbaar inkomen meer wordt genoten of de onderneming binnenlands belastingplichtige wordt eindigt ook de buitenlandse belastingplicht.

4. Beperking van de heffingsbevoegdheid bij de buitenlands belastingplichtige

Nadat u het belastbaar bedrag hebt bepaald moet u nog nagaan of Nederland daarover mag heffen. De heffingsbevoegdheid wordt namelijk beperkt door internationale regelingen, zoals belastingverdragen en EU-recht. Belastingverdragen kennen Nederland bepaalde heffingsrechten toe. Indien een belastingverdrag van toepassing is, moet u daarom allereerst nagaan of het verdrag Nederland toestaat om het in Nederland genoten inkomen te belasten.

De moeder-/dochterrichtlijn verplicht Nederland om de winsten vrij te stellen die een vaste inrichting van een buitenlandse dochtermaatschappij ontvangt. Ook mag Nederland op grond van de fusierichtlijn de activa en passiva van een inbrengende vennootschap die tot een vaste inrichting van de ontvangende vennootschap gaan behoren niet belasten.

Mogelijk vindt u dit ook interessant:

"De gevolgen van een brexit voor de directe belastingen" >>

5. Bestanddelen van het belastbaar bedrag: de voordelen uit een onderneming met een vaste inrichting of vertegenwoordiging in Nederland

De belangrijkste inkomstenbron van de buitenlands belastingplichtige  vormt de voordelen behaald met een onderneming die wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland (Artikel 17, lid 3(a) Wet Vpb).

Het begrip vaste inrichting

Een definitie daarvan vindt u in artikel 15f, lid 1 Wet Vpb (objectvrijstelling van de vaste inrichting) en artikel 2 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting 2001 (BvdB). De vaste inrichting is een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. De uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting als de werkzaamheden langer dan twaalf maanden duren. De regels voor constructie- en bouwwerkzaamheden gelden echter niet voor projecten die kant en klaar worden opgeleverd.

Relevante factoren voor het bestaan van een vaste inrichting zijn de navolgende criteria:

  1. het bestaan van een vaste bedrijfsinrichting. Of deze doorlopend, af en toe, of op onregelmatige tijden wordt gebruikt is daarbij niet van belang;
  2. duurzaamheid;
  3. de inrichting moet voor het bedrijf zijn ingericht;
  4. de inrichting wordt gebruikt voor het verrichten van ondernemingsactiviteiten.

Doorslaggevend is of de buitenlandse onderneming in Nederland over voldoende faciliteiten voor het verrichten van ondernemingsactiviteiten beschikt, zoals een kantoor, telefoon, computerapparatuur en personeel en of hier ondernemingsbeslissingen worden genomen.  Een vaste inrichting kan ook de plaats van leiding zijn, mits dit een fysieke inrichting vormt.

Het begrip vaste vertegenwoordiger

Een omschrijving van het begrip vaste vertegenwoordiger is verkort weergegeven een persoon of een lichaam werkzaam voor een belastingplichtige en een machtiging bezit om namens de belastingplichtige overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een andere staat gewoonlijk uitoefent (artikel 15f, lid 3 en Wet Vpb en artikel 2, lid 3 BvdB). Een onafhankelijk vertegenwoordiger is dan ook geen vaste vertegenwoordiger.

Winsttoerekening aan de vaste inrichting

Als u aan de hand van genoemde criteria hebt vastgesteld dat er een vaste inrichting is moet u vervolgens nagaan welke winst daaraan kan worden toegerekend.

Nederland gebruikt daarvoor sinds 2011 de door de OESO opgestelde Authorized OECD Approach. Het gaat erom wie bedrijfsrisico’s aangaat en beheert en wie de dagelijkse activiteiten voor de bedrijfsvoering uitvoert. De plaats waar deze functies worden verricht is beslissend voor de toerekening van de economische eigendom van activa en de gelopen risico’s.

Voor de praktijk betekent dit dat u voor interne leveringen, dienstverlening en het beschikbaar stellen van activa een open marktprijs in rekening moet brengen.

Toerekenen van winst

De winst die aan de vaste inrichting wordt toegerekend kunt u berekenen met  een twee stappenplan.

  1. Eerst worden de activa, risico`s en het vermogen gealloceerd aan de vaste inrichting op basis van de functie-analyse.
  2. Daarna wordt een deel van het eigen vermogen en het vreemd vermogen toegerekend aan de vaste inrichting.

Toerekenen rente over vreemd vermogen

Voor het bepalen van de rentelast voor de vaste inrichting over het toegerekende vreemd vermogen moet u  de fungibility benadering hanteren. Dit betekent dat een risicogewogen aandeel van de rentelasten aan de vaste inrichting wordt toegerekend. Dit is gelijk aan de rente die een onafhankelijke derde voor de verstrekte leningen in rekening zou brengen.

6. Bestanddelen van het belastbaar bedrag: inkomsten uit aanmerkelijk belang

De tweede belangrijke inkomstenbron vormen de inkomsten uit een aanmerkelijk belang dat wordt aangehouden met als hoofddoel om heffing van inkomstenbelasting bij een andere te vermijden (artikel 17, lid 3, letter b Wet Vpb).

Wat is een aanmerkelijk belang

Voor de definitie van een aanmerkelijk belang mag u aansluiten bij artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2011 (Wet IB). Van een aanmerkelijk belang is daarbij, onder andere, sprake als een  belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect:

  1. ten minste 5% van het geplaatste kapitaal bezit van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;
  2. rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal; of
  3. winstbewijzen heeft die betrekking hebben op ten minste 5% van de jaarwinst van een vennootschap dan wel op ten minste 5% de liquidatiewinsten .

Winst en verlies uit aanmerkelijk belang

Een definitie van het begrip winst en verlies uit aanmerkelijk belang vindt u in artikel 4.12 Wet IB. Het gaat om:

  1. de op aandelen of winstbewijzen ontvangen dividenden minus de aftrekbare kosten;
  2. vermogenswinst behaald met de verkoop van aandelen of winstbewijzen. Deze winst is gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat bij verkoop is ontvangen en het bedrag dat is betaald voor de aankoop.

Misbruik

De inkomsten uit aanmerkelijk belang worden alleen belast als sprake is van misbruik. Dit geldt zowel voor binnenlandse als grensoverschrijdende situaties om gevallen van dubbele niet-belasting te voorkomen. De lidstaat van de moedermaatschappij of vaste inrichting mag de van een buitenlandse dochter ontvangen winstuitkering daarom niet vrijstellen als deze bij de dochter aftrekbaar is.

Kunstmatige constructies ter vermijding belasting bij aanmerkelijk belang

Van misbruik is op grond van artikel artikel 17, lid 3, letter b Wet Vpb sprake bij:

  1. een kunstmatige constructie die niet is gebaseerd op een zakelijke reden; of
  2. een reeks van constructies.

U moet dus nagaan of is voldaan aan een zakelijkheidseis. Dit is het geval in de deze situaties:

  1. de aandelen behoren tot het ondernemingsvermogen van een materiële onderneming en kunnen ook functioneel tot het ondernemingsvermogen worden gerekend;
  2. de onderneming vervult een wezenlijk functie binnen een groep. Een voorbeeld daarvan is een tophoudstermaatschappij, die activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein verricht;
  3. de onderneming verricht een schakelfunctie als tussenhoudster. Dit is het geval als ze een bedrijfsmatige relatie legt tussen de bedrijfsmatige of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en die van de kleindochtermaatschappij(en).

Tussenhoudsters moeten bovendien voldoende substance bezitten.  Het bestaan van voldoende substance kunt u afleiden via deze 6 factoren (artikel 2d Uitvoeringsbeschikking Vpb) :

  1. ten minste de helft van het totale aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de belastingplichtige woont of is feitelijk gevestigd in de staat waarin de onderneming is gevestigd;
  2. de bestuursleden beschikken over de benodigde professionele kennis om hun bestuurstaken naar behoren uit te voeren, zoals een goed afhandeling van afgesloten transacties.
  3. de onderneming beschikt over gekwalificeerd personeel voor de adequate uitvoering en registratie van de af te sluiten transacties;
  4. de bestuursbesluiten van de onderneming worden genomen in  het land waar de onderneming is gevestigd;
  5. de belangrijkste bankrekeningen  worden aangehouden in de vestigingsstaat van de onderneming;
  6. de boekhouding van de onderneming wordt gevoerd in de vestigingsstaat van de onderneming.

Er mag geen sprake zijn van een volstrekt kunstmatige constructie . Een voorbeeld is de situatie dat een buiten de EU gevestigde aandeelhouder met een belang in een Nederlandse vennootschap, een EU-lichaam alleen tussenschuift om de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting te ontgaan. Er is dan sprake van een  schijnvennootschap of brievenbusmaatschappij die geen activiteiten verricht.

Wilt u meer weten over de toekomst van het vak?

Bekijk onze themapagina >>

  • Vond u dit bericht waardevol?
  • JaNee
Share this post