
De Tweede Kamer is gestart met de behandeling van de Wet werkelijk rendement voor box 3. Het voorstel kiest hoofdzakelijk voor een vermogensaanwasbelasting. Voor vastgoed en start-ups geldt een uitzondering met heffing bij verkoop. In de Kamer klinkt echter steun voor een zuivere vermogenswinstbelasting, dus betalen wanneer winst echt wordt gerealiseerd. De tijd dringt echter. Voor invoering per 1 januari 2028 moet de Kamer uiterlijk 15 maart 2026 beslissen. Anders ontstaat er in 2028 een begrotingsgat. De aftrap van het debat vond plaats op maandag 19 januari 2026.
Wat staat er in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement
De kern is heffing over werkelijk rendement via een aanwasbenadering. Jaarlijkse inkomsten en ongerealiseerde waardeveranderingen worden belast. Voor onroerend goed en belangen in startende ondernemingen geldt een winstbenadering met afrekening bij verkoop. De Raad van State duidt dit onderscheid nauwkeurig in haar advies.
Heffing pas bij realisatie
Een reeks fracties ziet liever heffing bij realisatie voor alle box-3-beleggingen. Het gaat onder meer om VVD, CDA, JA21, BBB en PVV. Zij verwerpen belasting over niet-verzilverde winsten. Tegelijk wil een meerderheid tempo houden met dit wetsvoorstel om de datum van 2028 te beschermen. In het debat klonk stevige taal. PVV-Kamerlid Elmar Vlottes noemde de Kamer “opgejaagd en gegijzeld” en sprak over “tekenen bij het kruisje”. ChristenUnie-Kamerlid Pieter Grinwis vroeg om doorrekening van een mogelijke “meeropbrengst” op lange termijn.
Prijskaartje en harde deadlines
De deadline is hard. Zonder aanname voor 15 maart 2026 komt de start in 2028 in gevaar. Dan dreigt een gat in de begroting van circa 2,4 miljard euro. Een volledige overstap naar vermogenswinstbelasting zou in de eerste vijf jaar ongeveer 5 miljard euro kosten. Het kabinet erkent dat de timing krap is door de benodigde ICT-aanpassingen bij Belastingdienst en ketenpartners.
Juridische en economische context
De herziening van box 3 volgt op de uitspraken van de Hoge Raad. In 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de oude heffing in strijd was met het EVRM. In 2024 stelde de Hoge Raad dat ook de toenmalige overbruggingsheffing tekort schoot wanneer het forfaitaire rendement hoger uitpakte dan het werkelijke rendement. Economisch onderzoek wijst erop dat een aanwasbenadering minder uitstelprikkels geeft dan een zuivere winstbelasting. Tegelijk zijn bij winstbelasting minder liquiditeitsproblemen doordat pas bij realisatie wordt geheven.
Vastgoed en start-ups in de vermogenswinstbelasting
Voor vastgoedbeleggingen en belangen in start-ups geldt heffing bij verkoop. Voor vastgoed komt daar een forfaitaire bijtelling voor eigen gebruik bij. De hoogte van die bijtelling is onderbouwd met SEO-onderzoek naar economische huurwaarden. Deze keuzes moeten volgens het kabinet de juridische houdbaarheid vergroten en beter aansluiten op de praktijk.
De tijd dringt
Box 3 nadert een beslissend moment. De Kamer onderzoekt de overstap naar een zuivere vermogenswinstbelasting, maar bespreekt tegelijk een wetsvoorstel met aanwas als hoofdregel. De politieke druk is groot door de datum van 15 maart 2026 en het risico op een begrotingsgat in 2028. De komende weken bepalen of de mix van aanwas en winst als tussenstap overeind blijft, of dat een meerderheid alsnog kiest voor realisatieheffing in box 3.
Meer weten over box 3 en vermogenswinstbelasting?



