
Bij een afsplitsing in de vennootschapsbelasting kan de splitsingsvrijstelling van artikel 14a Wet Vpb 1969 aantrekkelijk zijn, omdat de heffing kan doorschuiven. Tegelijk zit er een antimisbruiktoets in de regeling. In de praktijk speelde daarbij een stevige regel uit lid 6: als het bij de splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar wordt vervreemd, geldt een bewijsvermoeden dat zakelijke redenen ontbreken. De Hoge Raad zet nu een duidelijke grens: zo’n automatisch vermoeden, zonder dat de inspecteur eerst iets aantoont, botst met de Fusierichtlijn. De hofuitspraak is vernietigd en de zaak is verwezen.
Waar gaat het juridisch om?
De kern zit in de verhouding tussen nationaal bewijsrecht en Europees recht:
- Artikel 14a Wet Vpb 1969 bevat een faciliteit en een antimisbruiktoets
- Artikel 15 van Richtlijn 2009/133/EG laat lidstaten misbruik bestrijden, maar niet via een algemeen, automatisch vermoeden zonder individuele beoordeling
Volgens de Hoge Raad moet artikel 14a richtlijnconform worden uitgelegd. Dat betekent dat de bewijslastverdeling niet via een automatische wettelijke shortcut mag draaien.
Wat speelde er in de casus?
Belanghebbende, een uitvaartverzekeraar, wilde haar onderneming via een afsplitsing overdragen aan een vennootschap die door de koper was opgericht. In het stappenplan werd:
- de onderneming met een waarde van € 55.700.000 afgesplitst
- het door de aandeelhouder verkregen aandeel de volgende dag verkocht aan de koper
De inspecteur weigerde vooraf zekerheid dat de splitsingsvrijstelling (artikel 14a lid 2 Wet Vpb) van toepassing is, omdat volgens hem belastingontwijking niet was uitgesloten.
Waar ging het in cassatie mis volgens belanghebbende?
Belanghebbende klaagde dat het hof het bewijsvermoeden uit artikel 14a lid 6 toepaste en daarmee de bewijslast bij haar legde. Zij vond dat strijdig met artikel 15 van de Fusierichtlijn, omdat:
- de inspecteur geen begin van bewijs hoefde te leveren
- belanghebbende toch moest bewijzen dat zakelijke overwegingen bestonden
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad trekt hier een heldere lijn die vooral over bewijslastverdeling gaat.
Geen algemeen vermoeden zonder begin van bewijs
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat geen algemeen vermoeden van belastingontwijking mag gelden. De inspecteur moet minstens een begin van bewijs leveren dat:
- zakelijke overwegingen ontbreken, of
- belastingontwijking in de relevante zin wordt nagestreefd
Driejaarsvermoeden buiten toepassing, voor zover het automatisch werkt
Het wettelijke vermoeden van artikel 14a lid 6, laatste volzin, vervreemding binnen drie jaar, werkt zonder enig bewijs van de inspecteur. Voor zover het daarmee een algemeen vermoeden inhoudt, is het onverenigbaar met de Fusierichtlijn en moet het buiten toepassing blijven.
Gevolg: hof verdeelde de bewijslast verkeerd
Middel I slaagt. Middel IIa en IIIa slagen om dezelfde reden. Het hof had niet mogen uitgaan van het driejaarsvermoeden en vervolgens belanghebbende laten bewijzen dat zakelijke redenen bestonden, zonder dat de inspecteur eerst met een begin van bewijs kwam.
De overige klachten hoefden niet meer behandeld te worden. De zaak is verwezen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Dit arrest is vooral relevant voor afsplitsingen die onderdeel zijn van een transactiestappenplan waarin een aandelenverkoop kort na de splitsing plaatsvindt.
Geen automatische bewijslastomkering enkel door tijdsverloop
Een verkoop binnen drie jaar kan nog steeds een signaal zijn, maar mag niet automatisch betekenen dat zakelijke redenen worden vermoed te ontbreken.
Inspecteur moet eerst iets concreets aanvoeren
Zonder begin van bewijs van de inspecteur komt de bewijslast niet vanzelf bij de belastingplichtige te liggen.
Zakelijkheid gaat over doel én route, met nuance voor aandeelhoudersmotieven
De Hoge Raad merkt ten overvloede op dat zowel het einddoel als de gekozen weg zakelijk moeten zijn. Tegelijk zegt hij dat aandeelhoudersmotieven niet per definitie buiten de zakelijke overwegingen vallen. Dat maakt de beoordeling feitelijker en minder zwart wit.
Conclusie
De Hoge Raad begrenst het gebruik van het driejaarsvermoeden bij splitsingen: een automatisch vermoeden dat zakelijke redenen ontbreken, zonder dat de inspecteur eerst een begin van bewijs levert, is in strijd met de Fusierichtlijn en blijft buiten toepassing. Daarmee verschuift de discussie terug naar de inhoud en de feiten van het concrete geval, in plaats van een automatische bewijslastregel op basis van alleen de timing van de aandelenverkoop.
Bron: Hoge Raad 27 februari 2026, nr. 22/04085, ECLI:NL:HR:2026:298.
Meer weten over de splitsingsvrijstelling?



