
Fiscale partners mogen de grondslag sparen en beleggen (box 3) onderling verdelen. Die keuze kan veel uitmaken, zeker bij rechtsherstel na het massaal bezwaar box 3. Maar wat als een aanslag door een collectieve uitspraak ineens “onherroepelijk” wordt, terwijl de precieze uitkomst pas later volgt via een verminderingsbeschikking? In een prejudiciele beslissing van 27 maart 2026 maakt de Hoge Raad duidelijk dat fiscale partners de partnerverdeling box 3 dan toch nog mogen aanpassen. De sleutel zit in een redelijke toepassing van art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001 en art. 25e AWR.
Wat is partnerverdeling in box 3?
Om te beginnen even wat context. Fiscale partners mogen bepaalde posten in de aangifte verdelen, zolang het totaal maar op 100% uitkomt. Voor box 3 gaat het om de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De verdeling hoeft niet aan te sluiten bij civielrechtelijke eigendom. Het is in principe een vrije keuze binnen de aangifte.
Ook wijzigen kan, maar daar zitten termijnen aan. De wet geeft partners ruimte om een eenmaal gekozen verhouding te wijzigen zolang de aanslagen van beide partners nog niet onherroepelijk vaststaan.
Waarom dit juist bij massaal bezwaar box 3 problematisch is
Sinds 2016 werkt de massaalbezwaarprocedure zo dat de inspecteur de aangewezen bezwaren afdoet met een collectieve uitspraak. Tegen die collectieve uitspraak staat geen beroep open. En als de collectieve uitspraak leidt tot vermindering, werkt de inspecteur dat uit met een individuele verminderingsbeschikking, waartegen ook geen rechtsmiddel openstaat.
Juist daar zit de spanning. Want bij een letterlijke uitleg wordt de aanslag “onherroepelijk” door de collectieve uitspraak, terwijl partners pas na de verminderingsbeschikking echt zien wat de cijfermatige gevolgen zijn. Precies dat punt lag nu voor bij de Hoge Raad.
Waar ging het in deze zaak precies om?
Deze procedure betreft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2017. Aan belanghebbende en zijn echtgenote waren aanslagen IB/PVV 2017 opgelegd. Relevant waren vooral deze momenten:
- De aanslag van de echtgenote stond sinds 7 mei 2018 onherroepelijk vast.
- De belastingplichtige maakte bezwaar tegen zijn aanslag; dat bezwaar viel onder het massaal bezwaar box 3.
- Na de collectieve uitspraak van 4 februari 2022 werd het bezwaar gegrond verklaard en volgde op 21 juli 2022 een verminderingsbeschikking.
- Een dag later vroegen de partners om de box 3-grondslag volledig aan de echtgenote toe te rekenen (aandeel belastingplichtige: nihil).
- De inspecteur weigerde verdere vermindering. De vraag was vervolgens: mocht die wijziging nog, nu de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk was geworden? (Bron: Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2026:495.)
Wat oordeelde de Hoge Raad?
De Hoge Raad start bij de hoofdregel van art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001. Sinds 2009 mogen fiscale partners de onderlinge verhouding wijzigen totdat voor beiden de aanslagen onherroepelijk vaststaan. En als onherroepelijkheid ontstaat door een uitspraak van de Hoge Raad in een individuele procedure, geldt zelfs nog een termijn van zes weken na die uitspraak.
Vervolgens kijkt de Hoge Raad naar art. 25e AWR (massaal bezwaar). Door de collectieve uitspraak wordt de aanslag onherroepelijk voor zover het massaal bezwaar betreft. Als de inspecteur (deels) ongelijk krijgt, volgt daarna de individuele vermindering.
Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever kennelijk niet onderkend dat een strikte lezing fiscale partners in massaalbezwaarzaken hun wijzigingsmogelijkheid zou ontnemen. Dat vindt de Hoge Raad niet goed uitlegbaar, juist omdat partners pas na de vermindering echt kunnen beoordelen welke verdeling het beste aansluit bij de uitkomst. Daarom kiest de Hoge Raad voor een redelijke wetstoepassing.
De uitkomst is helder: als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, mogen fiscale partners de partnerverdeling box 3 wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de collectieve uitspraak uitwerkt.
Conclusie
De Hoge Raad koppelt het beslissende moment aan de datum waarop de inspecteur de aanslag vermindert (de beschikking ex art. 25e AWR). Vanaf dat moment loopt de vaste termijn van zes weken.
Belangrijk is ook wat de Hoge Raad afbakent: een later verzoek om ambtshalve vermindering opent geen nieuwe mogelijkheid om alsnog de verdeling aan te passen. Met andere woorden: de extra ruimte zit echt vast aan die eerste vermindering na de collectieve uitspraak.
Los daarvan blijft gelden dat partners in de aangifte zelf hun box 3-inkomen kunnen herverdelen door de aangifte aan te passen en opnieuw te versturen, zolang dat binnen de toepasselijke termijnen kan.
De Hoge Raad voorkomt met deze beslissing een harde uitkomst voor fiscale partners in massaalbezwaarzaken. Ook al wordt een aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk voor het box 3-deel, partners houden toch ruimte om de partnerverdeling box 3 te wijzigen zodra de cijfermatige gevolgen duidelijk zijn. Die ruimte is wel begrensd: tot zes weken na de verminderingsbeschikking die het rechtsherstel uitwerkt. Daarna komt er geen extra “tweede kans” via een ambtshalve traject.
Heb je meer vragen over partnerverdeling en box 3?



