
Mag Nederland bij remigratie de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang verlagen met een step-down, als er eerder een aandelenruil is geweest via een buitenlandse holding? Hof Arnhem-Leeuwarden gaf daar op 12 mei 2026 een duidelijk antwoord op. In deze zaak ging het om een dga die na emigratie naar Polen zijn aandelen via een aandelenruil onderbracht in een Poolse holding en later terugkeerde naar Nederland. De inspecteur paste bij terugkeer een forse step-down toe. Het hof wees dat af, omdat Nederland daarmee alsnog een heffingsrecht naar zich toe zou trekken dat het belastingverdrag juist aan Polen toewijst.
Waar ging de zaak over?
De dga emigreerde in 2003 naar Polen. In 2018 bracht hij zijn aandelen in een Nederlandse bv en een Poolse vennootschap via een aandelenruil (inbreng) onder in een Poolse holding. De gezamenlijke waarde bedroeg € 10.004.000.
Na remigratie stelde de inspecteur de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in de Poolse holding vast op € 1.747.148. Dat deed hij door een step-down van € 8.256.852 toe te passen. Precies die verlaging lag in deze zaak onder het vergrootglas.
Wat is een step-down van de verkrijgingsprijs bij remigratie?
Bij remigratie moet de verkrijgingsprijs van aandelen in box 2 opnieuw worden vastgesteld. In Wet IB 2001 staat als hoofdregel dat je uitgaat van de waarde in het economisch verkeer op het moment dat iemand weer in Nederland gaat wonen. Toch geldt die hoofdregel niet altijd, bijvoorbeeld als iemand eerder al in Nederland woonde. Dan verwijst de wet naar nadere regels in het Uitvoeringsbesluit.
In deze zaak draaide het om art. 16, lid 11, Uitv.besluit IB 2001. Hierin wordt bepaald dat de verkrijgingsprijs verlaagt kan worden als een belastingplichtige vlak voor (re)migratie aandelen onderbrengt in een (buitenlandse) holding. De gedachte daarachter is dat voorkomen moet worden dat een Nederlandse fiscale claim “verdwijnt” door een holdingstructuur.
Botsing met het belastingverdrag
Het hof keek eerst naar wat er fiscaal gebeurde in 2018. Door de inbreng in de holding vervreemdde de dga zijn aanmerkelijk belang in de Nederlandse bv. Daarmee realiseerde hij volgens het hof al een vervreemdingswinst van € 8.256.852. Doorschuiven via de aandelenfusiefaciliteit kon in deze situatie niet.
Vervolgens komt het verdrag in beeld. Op grond van art. 13 van het belastingverdrag Nederland-Polen (in deze uitspraak: lid 4) had in 2018 Polen het exclusieve heffingsrecht over die gerealiseerde vermogenswinst. Nederland kon dat heffingsrecht dus niet effectueren.
Oordeel Hof Arnhem-Leeuwarden: goede verdragstrouw gaat voor
De kern van deze zaak zit in het effect van de step-down. Als Nederland de verkrijgingsprijs verlaagt van € 10.004.000 naar € 1.747.148, dan kan Nederland bij een latere verkoop van de holding-aandelen alsnog belasting heffen over hetzelfde voordeel dat in 2018 al is gerealiseerd. Het hof benoemt dat expliciet: de step-down maakt latere Nederlandse heffing over het 2018-voordeel feitelijk weer mogelijk.
En precies daar gaat het mis. Het hof vindt dat Nederland zich daarmee een heffingsrecht toe-eigent dat het verdrag aan Polen heeft toegewezen. Dat is volgens het hof in strijd met de goede verdragstrouw. Daarom moet art. 16, lid 11, Uitv.besluit IB 2001 in dit geval buiten toepassing blijven. De verkrijgingsprijs blijft dus € 10.004.000.
Wanneer is dit oordeel vooral relevant?
Het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden is vooral relevant wanneer de inspecteur art. 16, lid 11, Uitv.besluit IB 2001 inzet vanuit het anti-ontwijkingsdoel, maar die toepassing er feitelijk toe leidt dat Nederland alsnog een heffingsrecht claimt dat het belastingverdrag aan het andere land toewijst. Het hof erkent dat de regeling bedoeld is om het verschuiven van aanmerkelijkbelangaandelen via (buitenlandse) holdings te voorkomen, maar vindt dat dit niet kan rechtvaardigen dat Nederland een verdragsmatig toegewezen heffingsbevoegdheid terughaalt. Daarbij maakt het volgens het hof niet uit of Polen in de praktijk daadwerkelijk heeft geheven; doorslaggevend is dat het verdrag het heffingsrecht over het gerealiseerde voordeel exclusief aan Polen toedeelt, zodat de step-down in deze zaak buiten toepassing moet blijven.
Wat betekent dit in de bredere context van emigratie en remigratie?
Bij emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder werkt Nederland met een conserverende aanslag om de opgebouwde claim te beschermen. De Belastingdienst licht toe dat hierbij uitstel van betaling mogelijk is en dat dit samenhangt met de fictief genoten aanmerkelijkbelangwinst.
Deze uitspraak laat vooral zien dat de verkrijgingsprijs bij remigratie niet los kan worden gezien van:
- eerdere realisatie-momenten, zoals een aandelenruil, en
- de verdragsverdeling van heffingsrechten.
Zodra een voordeel al is gerealiseerd in de buitenlandse periode en het verdrag wijst het heffingsrecht toe aan het woonland van toen, kan een step-down die uitkomst niet repareren via een latere Nederlandse heffing.
Hof Arnhem-Leeuwarden trekt in deze zaak een heldere lijn. Nederland mag bij remigratie geen step-down op de verkrijgingsprijs toepassen als dat er in feite toe leidt dat een eerder gerealiseerd vervreemdingsvoordeel alsnog in Nederland wordt belast, terwijl het belastingverdrag dat heffingsrecht exclusief aan Polen toewijst. Daarmee laat het hof zien dat de step-downregeling niet onbeperkt kan worden gebruikt als anti-ontwijkingsinstrument. Zodra de toepassing botst met de verdragsverdeling van heffingsrechten, gaat de goede verdragstrouw voor.
Heb jij vragen over belastingverdragen, step-down of vervreemdingsvoordelen?



