
Cryptotokens vinden steeds vaker hun weg naar de jaarrekening. Maar de vraag die vervolgens steeds terugkomt is of dit wel actief hoort bij de bv, en zo ja, mag je het dan ook afwaarderen? In een recente uitspraak legt Gerechtshof Den Haag de lat hoog voor de afwaardering cryptotokens. De bv wilde een verlies van € 250.000 in aftrek brengen, maar het hof hield dat tegen omdat de dga de investering in privé had gedaan. Juist bij digitale assets blijkt de basisadministratie doorslaggevend. Dus wie is contractspartij, wat is vastgelegd op het moment zelf en waar is het actief economisch ondergebracht?
Afwaardering cryptotokens: waar draaide deze zaak om?
Een bv kreeg over 2019 een aanslag vpb naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548. De dga sloot op 29 augustus 2018 een Token Agreement met een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigde LLC (Limited Liability Company) voor de aankoop van digitale tokens. Op 13 september 2018 betaalde de bv € 250.000 aan die LLC. In de jaarrekening 2018 zette de bv de tokens vervolgens op de balans als financiele vaste activa. In 2020 volgde een e-mail van de LLC met daarin de mededeling dat het project niet was gestart en de investering daarmee waardeloos was. De bv verwerkte daarom in de aangifte vpb 2019 een aftrekpost van € 250.000 als waardeverandering van effecten. De vraag was vervolgens: komt die afwaardering ten laste van het resultaat van de bv?
Was de bv wel de investeerder?
Het hof begint niet bij de waardedaling, maar bij eigendom en toerekening. De bv moest aannemelijk maken dat zij zelf in de tokens had geinvesteerd. Dat lukte niet. In de Token Agreement en het Token Receipt stond niet dat de dga namens de bv handelde. Ook ontbraken stukken uit 2018 (zoals e-mails of interne vastleggingen) waaruit volgt dat de investering toen al als bv-investering was bedoeld. Daarmee viel de basis onder de fiscale balanspost weg: als de bv geen partij is bij de investering, kan zij ook geen verlies nemen op dat actief.
Waarom betaling door de bv niet genoeg was
Op het eerste gezicht lijkt de situatie vrij simpel: de bv betaalde, dus de bv investeerde. Toch is het hof het niet eens met die redenering. De betaling vanaf de bankrekening van de bv bewijst volgens het hof namelijk alleen hoe er is betaald, niet voor wie of op basis van welke rechtsverhouding. Bovendien merkt het hof op dat het niet ongebruikelijk is dat een dga privébetalingen via de vennootschap laat lopen. Ook de verwerking in de jaarrekening hielp niet, mede omdat de accountant zich van een oordeel had onthouden en de bv geen aanvullende bewijsstukken gaf.
Wanneer mag een bv afwaarderen op de fiscale balans?
Afwaardering door een bv betekent dat een actief (zoals een bedrijfsmiddel, vordering of voorraad) fiscaal op een lager bedrag wordt gewaardeerd dan de kostprijs of boekwaarde, als de waarde op balansdatum duurzaam lager is. De waardedaling moet bovendien objectief aantoonbaar zijn. Denk aan oninbaarheid van een vordering of economische veroudering van een bedrijfsmiddel. Afwaardering is juist niet aan de orde bij een louter tijdelijke dip, of als de waardedaling al bij aankoop vaststond.
Maar deze uitspraak laat een stap zien die vaak eerder komt: staat het actief wel op de juiste fiscale balans? Pas als het actief aan de bv toebehoort (en dus tot haar vermogen behoort), kom je toe aan de vraag of en hoeveel er mag worden afgewaardeerd. Dat sluit aan bij de winstbepaling in de vpb, die via art. 8 Wet Vpb 1969 aanknoopt bij het winstbegrip uit de inkomstenbelasting.
Crypto als belegging of als bedrijfsfunctie
De bv stelde dat de tokens nodig waren om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof vond die stelling niet onderbouwd. Integendeel zelfs. Een brochure, overeenkomst, proces-verbaal en jaarrekening wezen vooral op een passieve langetermijnbelegging met het oog op rendement. Ook dat is relevant. Bij een belegging verwacht je andere besluitvorming, vastlegging en interne onderbouwing dan bij een instrument dat direct in de bedrijfsvoering wordt gebruikt. Als die onderbouwing ontbreekt, wordt het extra lastig om de fiscale positie te dragen.
Wat leert deze uitspraak over bewijs en timing?
Opvallend is dat latere stukken de bv niet redden. Een onderzoeksrapport, een aangifte bij de politie en een cessie-akte kwamen pas later en konden niet alsnog bewijzen dat de bv in 2018 contractspartij was. Daarmee benadrukt het hof een klassiek punt dat bij digitale investeringen vaak voorkomt: bewijs is het sterkst als het uit dezelfde periode komt als de transactie.
Conclusie
De uitspraak van Hof Den Haag maakt duidelijk dat afwaardering cryptotokens niet begint bij de koers of het failleren van een project, maar bij de vraag wie juridisch en fiscaal de investeerder is. Een betaling door de bv en een balanspost in de jaarrekening zijn niet automatisch genoeg. Pas als vaststaat dat het tokenbelang tot het vermogen van de bv behoort, kom je toe aan de voorwaarden voor afwaardering zoals duurzame waardedaling en objectieve onderbouwing.
Meer weten over de voorwaarden voor afwaardering in de bv?



