
Wanneer aandelen in een holding vererven, kan de doorschuiffaciliteit in de inkomstenbelasting een belangrijke rol spelen. Toch kwalificeert niet elk vermogensbestanddeel automatisch als ondernemingsvermogen. Dat blijkt opnieuw uit een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 2 juni 2026. De rechtbank oordeelde dat de erfgenamen niet aannemelijk maakten dat effecten en leningen aan derden dienstbaar waren aan de onderneming. Daardoor vielen deze posten buiten de doorschuiffaciliteit.
Ondernemingsvermogen doorschuiffaciliteit staat centraal
De zaak draait om een man die op 21 december 2020 overleed. Zijn twee zoons erfden alle aandelen in een holding en zetten de activiteiten voort. In de herziene aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 deden de erven een beroep op de doorschuifregeling van artikel 4.17a Wet IB 2001.
Volgens de erven vormde het volledige vermogen van de holding ondernemingsvermogen. De inspecteur zag dat anders en merkte een deel aan als beleggingsvermogen. Vooral de effectenportefeuille en leningen aan derden stonden ter discussie. De vraag was daardoor of de doorschuifregeling op een groter deel van het vermogen kon worden toegepast.
Wat valt onder ondernemingsvermogen
Ondernemingsvermogen is het vermogen dat direct dienstbaar is aan de onderneming. Denk aan bedrijfsmiddelen, voorraad, bedrijfsruimte of andere activa die daadwerkelijk binnen de onderneming worden gebruikt. Voor fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten telt alleen dit kwalificerende ondernemingsvermogen mee.
Daartegenover staat beleggingsvermogen. Dat bestaat uit vermogensbestanddelen die niet nodig zijn voor de bedrijfsuitoefening. Voorbeelden zijn overtollige liquide middelen, effecten of bezittingen die vooral rendement opleveren buiten de materiële onderneming. De Belastingdienst beschrijft de BOR eveneens als een regeling voor actieve, lopende ondernemingen, waarbij beleggingen buiten de regeling vallen.
Aanslag erfbelasting wekt geen vertrouwen voor inkomstenbelasting
De erven voerden aan dat zij vertrouwen mochten ontlenen aan de aanslag erfbelasting. Voor de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet was het volledige vermogen van de holding als ondernemingsvermogen aangemerkt. Volgens hen moest dit ook doorwerken naar de inkomstenbelasting.
De rechtbank volgt die redenering niet. Een standpunt van de inspecteur voor de schenk- en erfbelasting bindt de inspecteur voor de inkomstenbelasting in beginsel niet. Dat kan anders zijn bij bijzondere omstandigheden, maar die maakten de erven niet aannemelijk. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde daarom niet.
Corona en belastingschulden zijn niet genoeg
Vervolgens keek de rechtbank naar de functie van de resterende middelen. De erven wezen op de coronaperiode en op latere belastingschulden. Daarmee wilden zij onderbouwen dat de middelen nodig waren voor de onderneming.
De rechtbank vond dat onvoldoende. De erven maakten niet concreet hoeveel liquiditeit nodig was om de onderneming draaiende te houden. Ook werd niet duidelijk hoe de effecten en leningen aan derden werkelijk een ondernemingsfunctie hadden. Zonder die onderbouwing blijven zulke posten al snel binnen de sfeer van beleggen of liquiditeitsoverschot.
Relatie met de BOR en DSR
De uitspraak gaat over de doorschuifregeling voor aanmerkelijkbelangaandelen in de inkomstenbelasting. Toch raakt de kern ook aan de BOR. Beide faciliteiten sluiten aan bij het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen. De BOR kan bij schenking of vererving zorgen voor minder of geen schenkbelasting of erfbelasting, maar alleen wanneer aan voorwaarden is voldaan. Zo moet sprake zijn van een actieve onderneming, geldt een bezitseis en moet de onderneming worden voortgezet.
Vanaf 2025 geldt bij verkrijging op of na 1 januari 2025 een voortzettingstermijn van drie jaar. Bij verkrijging voor die datum gold nog een termijn van vijf jaar. Ook deze voorwaarden laten zien dat de faciliteiten zijn gericht op echte bedrijfsopvolging, niet op de overdracht van louter beleggingsvermogen.
Beroep ongegrond
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag was niet te hoog vastgesteld. De effecten en leningen aan derden telden niet mee als ondernemingsvermogen voor de doorschuiffaciliteit, omdat hun ondernemingsfunctie niet aannemelijk was gemaakt.
De uitspraak onderstreept dat de fiscale kwalificatie per regeling en per belastingmiddel kan verschillen. Een beoordeling voor de erfbelasting leidt dus niet vanzelf tot dezelfde uitkomst voor de inkomstenbelasting.
Conclusie
Deze uitspraak maakt duidelijk dat ondernemingsvermogen voor de doorschuiffaciliteit om meer vraagt dan eigendom binnen een holding. Het gaat om de functie van het vermogen binnen de onderneming. Effecten, leningen aan derden en ruime liquiditeiten kwalificeren niet automatisch. Alleen wanneer voldoende blijkt dat deze middelen direct dienstbaar zijn aan de bedrijfsuitoefening, kunnen zij binnen het bereik van de faciliteit vallen.
Hoe zit het eigenlijk met de BOR?



