
De Europese Unie wil met Tax Omnibus verschillende richtlijnen voor directe belastingen vereenvoudigen. Ook moet het voorstel bijdragen aan groei en een sterker Europees concurrentievermogen. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) onderschrijft die ambities, maar signaleert tegelijk diverse technische en juridische vragen. Vooral de samenloop tussen regelingen, het risico op dubbele belasting en de afbakening van antimisbruikregels vragen volgens de NOB om aandacht.
Richtlijntekst moet zelfstandig leesbaar zijn
Volgens de NOB zijn verschillende onderdelen van Tax Omnibus lastig te begrijpen zonder de preambule. Dat kan interpretatieproblemen veroorzaken. Zeker wanneer de toelichting afwijkt van de richtlijntekst of aanvullende voorwaarden bevat.
De organisatie vraagt daarom om een richtlijntekst die zelfstandig leesbaar is. Daarnaast wijst zij op het belang van publieke updates tijdens de Europese onderhandelingen. De beoogde invoeringsdata kunnen immers veranderen, terwijl nieuwe onderhandelingsteksten doorgaans niet openbaar zijn. Meer duidelijkheid over de voortgang kan de voorspelbaarheid van het wetgevingsproces vergroten.
Bronheffingen en deelnemingen krijgen een ruimer bereik
Tax Omnibus schrapt binnen de Interest- en royaltyrichtlijn het vereiste van een rechtstreeks belang van ten minste 25 procent. De NOB beoordeelt dit positief. Rentebetalingen ontstaan namelijk niet uitsluitend binnen aandeelhoudersrelaties.
Meer vragen bestaan over betalingen aan vennootschappen in derde landen waar geen winstbelasting of een tarief van nul procent geldt. Lidstaten moeten in bepaalde gevallen bronbelasting heffen of de aftrek weigeren. Volgens de NOB kan dit botsen met andere antimisbruikmaatregelen. Zonder goede samenloopregels dreigt dubbele belasting. Ook de verhouding tot bestaande belastingverdragen is nog niet helder.
Daarnaast vervalt volgens het voorstel de deelnemingsdrempel van 10 procent uit de Moeder-Dochterrichtlijn. Daardoor kunnen de voordelen van deze richtlijn ook gelden voor kleinere portfoliobelangen. De richtlijn verandert daarmee van karakter. Bovendien ontstaat een mogelijke spanning met nationale regelingen die onderscheid maken tussen ondernemen en beleggen. Ook de samenloop met Pijler 2 vraagt om verdere uitwerking.
NOB verwelkomt harmonisatie
De voorgestelde R&D-faciliteit is bedoeld voor materiele activa die vrijwel volledig voor onderzoek en ontwikkeling worden gebruikt. De NOB ziet deze regeling feitelijk als een versnelde afschrijving. De vormgeving als afzonderlijke aftrekpost kan echter tot onzuivere uitkomsten leiden. Eerdere afschrijvingen, verliesverrekening en het terugnemen van de faciliteit sluiten dan niet altijd goed op elkaar aan.
Ook de earningsstrippingmaatregel verandert. Tax Omnibus introduceert onder meer een vaste grens van 30 procent van de EBITDA, een verplichte en geindexeerde drempel van 3 miljoen euro en een groepsuitzondering. De NOB verwelkomt de verdere harmonisatie. Wel blijven vragen bestaan over centrale concernfinanciering, derdenleningen en de uitleg van het begrip eigen activiteiten.
Antimisbruikregels vragen om duidelijke grenzen
Het bereik van de algemene antimisbruikbepaling binnen ATAD wordt mogelijk aanzienlijk ruimer. De voorgestelde tekst spreekt niet langer alleen over vennootschapsbelasting, maar over belastingverplichtingen in bredere zin. Daardoor is onduidelijk welke belastingen precies onder de bepaling vallen.
De NOB wil dat de Europese bepaling nauw aansluit bij de bestaande antimisbruikrechtspraak. Daarnaast steunt zij het schrappen van de regeling voor geimporteerde hybride mismatches. Die regeling is complex en veroorzaakt aanzienlijke uitvoeringslasten. Verschillen tussen nationale implementaties blijven echter bestaan en kunnen het gelijke speelveld beïnvloeden.
Geschilbeslechting en FASTER worden gestroomlijnd
De aanpassingen aan de Geschilbeslechtingsrichtlijn bevatten verschillende praktische verbeteringen. Zo komt er meer tijd om verzoeken in meerdere lidstaten in te dienen en een hersteltermijn voor onvolledige klachten. Toch blijven de taalvereisten en de uitzonderingen op verplichte arbitrage aandachtspunten.
Ook wordt FASTER uitgebreid naar situaties waarin een volledige vrijstelling van bronbelasting geldt. De NOB noemt dat positief en noodzakelijk. Tegelijk kunnen uitgebreide controleverplichtingen voor financiele intermediairs onevenredig uitpakken wanneer betalingen al onder de Moeder-Dochterrichtlijn zijn vrijgesteld. Een betere aansluiting tussen beide richtlijnen ligt daarom voor de hand.
Conclusie
Tax Omnibus bevat concrete mogelijkheden om het Europese stelsel voor directe belastingen te stroomlijnen. Dat geldt onder meer voor renteaftrek, R&D, geschilbeslechting en bronbelastingprocedures. De NOB-reactie laat echter zien dat minder regels niet vanzelf leiden tot eenvoudigere wetgeving. De uiteindelijke werking hangt sterk af van heldere begrippen, goede samenloopbepalingen en een consistente verhouding tot nationale wetgeving en andere Europese richtlijnen. De verdere onderhandelingen en het Nederlandse BNC-fiche moeten duidelijk maken hoe deze punten worden verwerkt.
Zeker weten hoe het zit met bijvoorbeeld ATAD?



