
Het kabinet wil een eenvoudigere, slimmere en kleinere overheid. Minder regels, minder bureaucratie en meer ruimte om problemen daadwerkelijk op te lossen. Daar lijkt weinig tegen in te brengen. Maar vrijwel gelijktijdig lezen we dat EY, een van de grootste adviesbureaus van Nederland, juist méér werk krijgt van zijn grootste klant, de rijksoverheid. Terwijl het kabinet minder ambtenaren en minder externe inhuur wil, blijft de vraag naar externe expertise groot.
Dat lijkt tegenstrijdig. Misschien is het vooral veelzeggend. Want wat als het probleem niet alleen is dat onze overheid te ingewikkeld is geworden, maar ook dat ze onvoldoende kennis in huis heeft om die ingewikkeldheid zelf terug te dringen?
Die gedachte brengt ons bij schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. In de VPRO Tegenlicht-aflevering Maak ‘t simpel uit 2023 stelt hij een ongemakkelijke vraag. Hebben we onze democratie zo complex gemaakt dat ze de besluiten die we gezamenlijk nemen steeds minder goed kan uitvoeren? En hoe veranderen we dat zonder de democratische waarden op te offeren die we met al die regels juist willen beschermen?
Als zelfs een eenvoudig idee ingewikkeld wordt
Pfeijffer gebruikt onder meer de wens om de btw op groente en fruit naar nul te verlagen als voorbeeld. Gezond eten stimuleren door gezonde producten goedkoper te maken. Het idee klinkt overzichtelijk en logisch, maar bleek in de praktijk een ingewikkelde politieke en fiscale exercitie.
Daar hoort een nuance bij. In het coalitieakkoord van 2021 stond een onderzoek naar de mogelijkheden, geen definitief besluit om de btw af te schaffen. SEO Economisch Onderzoek concludeerde in 2023 dat verschillende varianten juridisch kwetsbaar, moeilijk uitvoerbaar en kostbaar waren. Ook het verwachte effect op de consumptie van groente en fruit was beperkt.
Toch blijft het voorbeeld treffend. Want wat verstaan we precies onder groente en fruit? Vallen smoothies eronder? Bewerkt voedsel? En waarom zou het ene product anders worden belast dan een vergelijkbaar ander product? Achter een voorstel dat op één regel past, blijken Europese regels, juridische grenzen en uitvoeringsvragen schuil te gaan.
Al die bezwaren verdienen een serieus antwoord. Een overheid moet niet alleen doen wat burgers willen, maar ook zorgvuldig en rechtvaardig handelen. Toch knaagt de vraag of we nog voldoende mogelijkheden hebben om ingewikkelde afwegingen uiteindelijk in besluiten om te zetten. Als we bij de btw al vastlopen, wat betekent dat dan voor woningbouw, klimaatbeleid of infrastructuur?
De Afsluitdijk en de verleiding van vroeger
Pfeijffer verwijst ook naar grote projecten die Nederland ooit wist te realiseren, zoals de Afsluitdijk en de Deltawerken. Projecten waarvoor politieke keuzes nodig waren, grote bedragen beschikbaar werden gemaakt en de overheid langdurig verantwoordelijkheid nam. Zouden we zulke projecten vandaag nog van de grond krijgen?
Het is verleidelijk om te zeggen dat het vroeger beter ging. We hebben tegenwoordig uitgebreide vergunningsprocedures, milieueisen, inspraakmogelijkheden en juridische toetsing. Tegelijkertijd zou het verleden geen eerlijke vergelijking zijn als we de nadelen vergeten. Gemeenschappen moesten wijken, natuurgebieden veranderden en burgers hadden minder mogelijkheden om zich tegen besluiten te verzetten.
Veel regels die nu vertragen, bestaan omdat we daarvan hebben geleerd. Ze beschermen belangen die eerder ondergeschikt werden gemaakt. Maar ook het omgekeerde kan waar zijn. Wanneer ieder belang afzonderlijk wordt beschermd en niemand meer een afweging durft te maken, kan het gezamenlijke belang uit beeld verdwijnen.
Hebben we geleerd zorgvuldiger te zijn, of zijn we verleerd te kiezen? Misschien wel allebei. En misschien begint vereenvoudiging precies bij de erkenning dat niet ieder probleem kan worden opgelost zonder dat iemand de gevolgen voelt.
De brug van Genua en de prijs van snelheid
In augustus 2018 stortte in Genua de Morandibrug in. Bij de ramp kwamen 43 mensen om het leven. Nog geen twee jaar later stond er een nieuwe brug, ontworpen door Renzo Piano. In augustus 2020 ging de Ponte San Giorgio open. Voor een land dat met bureaucratie wordt geassocieerd, een opvallende prestatie.
De Italiaanse overheid stelde een speciale commissaris aan met uitzonderlijke bevoegdheden. Daarmee konden gebruikelijke procedures worden versneld. Het resultaat was indrukwekkend, maar Pfeijffer stelt een veel ongemakkelijkere vraag. Tegen welke prijs?
De besluitvorming kwam sterker in handen van een beperkt aantal verantwoordelijken, terwijl de normale procedures minder ruimte kregen. Maar die procedures zijn er niet alleen om bestuurders te hinderen. Ze beschermen burgers tegen willekeur en bieden mogelijkheden voor inspraak, controle en beroep.
De snelheid waarmee de brug werd herbouwd is indrukwekkend. Tegelijkertijd zouden wij niet willen dat zo’n uitzonderingsaanpak de normale manier van besturen wordt. Een overheid die niets voor elkaar krijgt, verliest vertrouwen. Een overheid die voor daadkracht democratische waarborgen opzijzet, beschadigt dat vertrouwen op een andere manier.
De keuze kan dus niet zijn tussen eindeloos overleggen of alles overlaten aan één daadkrachtige bestuurder. De werkelijke vraag is hoe we sneller kunnen besluiten zonder dat de rechtsstaat daarvoor de rekening betaalt.
Wat de groei van EY ons vertelt
En dan dat recente bericht over EY. Het bureau zag zijn Nederlandse omzet in het boekjaar 2025/2026 met 5,4 procent stijgen tot ongeveer 1,08 miljard euro, exclusief HVG Law. Opmerkelijker is dat de rijksoverheid, al vier à vijf jaar de grootste klant, opnieuw meer diensten afnam. EY-bestuurder Cecile Heemels had vanwege de politieke druk juist een daling verwacht. Als verklaring wijst ze op een gebrek aan uitvoeringskracht bij de overheid, vooral bij grote veranderopgaven.
Die cijfers verdienen een zorgvuldige lezing. Ze zeggen niet hoeveel geld de overheid precies bij EY besteedt. Evenmin bewijzen ze dat de hele overheid steeds meer consultants inhuurt. Volgens de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk daalden de totale uitgaven aan externe inhuur juist van 3,67 miljard euro in 2024 naar 3,27 miljard in 2025. Het aandeel daalde van 15,4 naar 13,1 procent van de totale personele uitgaven. Nog altijd boven de Roemernorm van 10 procent, maar wel in de gewenste richting.
Het interessante zit dus niet in de suggestie dat er helemaal niets verandert. Het zit in de spanning tussen de politieke wens om minder afhankelijk te worden van externen en de aanhoudende behoefte aan specialistische hulp. EY is bovendien niet de enige partij die opdrachten voor de overheid uitvoert.
Daar is op zichzelf niets mis mee. De overheid hoeft niet iedere specialist permanent in dienst te hebben. Voor een eenmalig project, onafhankelijke controle of tijdelijk gebrek aan capaciteit kan externe expertise verstandig zijn. De vraag wordt lastiger als kennis niet tijdelijk wordt aangevuld, maar structureel van buiten moet komen.
Wat gebeurt er als een ministerie een adviesbureau nodig heeft om het probleem te onderzoeken, vervolgens om de oplossing te ontwerpen en daarna opnieuw om die oplossing uit te voeren? Wie kan dan nog onafhankelijk beoordelen of de voorgestelde aanpak deugt? En wat blijft er binnen de overheid achter zodra de opdracht is afgerond?
We kunnen kennis niet eindeloos uitbesteden
Dat is precies het vraagstuk dat econoom Mariana Mazzucato, samen met Rosie Collington, onderzoekt in The Big Con. Zij waarschuwen dat overheden die langdurig op externe adviseurs leunen niet alleen geld uitgeven, maar ook hun vermogen kunnen verliezen om zelf beleid te ontwikkelen, opdrachten te beoordelen en projecten uit te voeren.
VPRO Tegenlicht wijdde in mei 2025 zelfs een hele uitzending aan deze ontwikkeling, onder de titel De consultant regeert. Daarin wordt een mogelijke neerwaartse spiraal beschreven. De overheid besteedt werkzaamheden uit omdat eigen kennis ontbreekt. Daardoor wordt intern minder ervaring opgebouwd. Bij een volgende opdracht is nog meer externe hulp nodig.
Dat is geen bewijs dat iedere consultant de overheid afhankelijk maakt. Het is wel een mechanisme dat we serieus moeten onderzoeken. Zeker wanneer het kabinet tegelijkertijd tienduizenden voltijdsbanen wil schrappen. Minder medewerkers kunnen samengaan met betere dienstverlening, maar dan moeten taken daadwerkelijk eenvoudiger worden en moet duidelijk zijn welke deskundigheid behouden blijft.
Ook EY laat onbedoeld zien waarom dat belangrijk is. Bestuursvoorzitter Patrick Gabriëls zegt juist jonge medewerkers te blijven aannemen, omdat je anders over tien jaar geen goede personeelsopbouw meer hebt. Dat is een interessante tegenstelling. Een adviesbureau denkt aan de kennis en mensen die het over tien jaar nodig heeft. Hoe zorgt de overheid ervoor dat zij zelf over tien jaar nog genoeg mensen heeft die grote opgaven begrijpen én kunnen uitvoeren?
Herman Tjeenk Willink stelt in zijn werk een verwante vraag. Een overheid is er niet uitsluitend om processen efficiënt te beheren. Ze moet verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de mensen die van haar afhankelijk zijn. Wie de kennis verliest om zelf afwegingen te maken, kan ook die verantwoordelijkheid moeilijker waarmaken.
Er speelt bovendien een verschil tussen de belangen van een adviesbureau en die van een ministerie. Een adviesbureau moet opdrachten uitvoeren en voldoende omzet maken om zijn organisatie draaiende te houden. De overheid moet publieke doelen bereiken en daarover verantwoording afleggen. Die belangen kunnen uitstekend samengaan. Maar ze zijn niet automatisch hetzelfde, zeker wanneer een opdrachtgever nauwelijks nog kan beoordelen of een nieuw onderzoek of vervolgtraject noodzakelijk is.
Wij zouden daarom niet alleen willen weten hoeveel de overheid aan externe deskundigen uitgeeft, maar ook wat die opdrachten achterlaten. Zijn ambtenaren daarna beter toegerust? Kunnen zij de systemen zelf beheren? Worden inzichten gedeeld tussen ministeries of blijft die kennis bij het bureau dat de volgende opdracht krijgt? Zulke vragen zeggen volgens mij meer over zelfstandige uitvoeringskracht dan alleen het percentage externe inhuur.
En er zit ook een democratische kant aan. Ministers blijven politiek verantwoordelijk voor besluiten, ook wanneer een externe partij het advies opstelt of de uitvoering organiseert. Maar verantwoordelijkheid heeft weinig betekenis als je de inhoud niet meer zelfstandig kunt beoordelen. Dan verschuift niet noodzakelijk de formele macht, maar mogelijk wel de feitelijke invloed op de keuzes die worden gemaakt.
Wat ons belastingstelsel hierover laat zien
In het belastingstelsel komen deze problemen samen. Politiek, juridische zorgvuldigheid, beperkte uitvoeringscapaciteit en ingewikkelde technische systemen raken er voortdurend verstrengeld. Bovendien is het stelsel in de loop van jaren opgebouwd uit compromissen, correcties en uitzonderingen. Iedere afzonderlijke ingreep kan logisch zijn, maar het geheel is nauwelijks nog te overzien.
De Nederlandse fiscalist en belastingwetenschapper Reinier Kooiman stelt in zijn boek De sterkste schouders een fundamentelere vraag. Waarom belasten we eigenlijk wat we belasten? En kunnen burgers nog beoordelen of de lasten eerlijk worden verdeeld?
Kooiman kijkt onder meer naar Italiaanse steden uit de middeleeuwen, waar al werd nagedacht over belastingheffing naar draagkracht. Hij bepleit een ingrijpend alternatief voor het bestaande stelsel, met een brede vermogensbelasting als uitgangspunt. Dat voorstel roept nieuwe vragen op over waardering, liquiditeit en internationale verplaatsing van vermogen. Eenvoudiger betekent immers niet automatisch rechtvaardiger of uitvoerbaarder.
Maar het is wel waardevol dat hij niet begint bij een nieuw tarief of een extra uitzondering. Hij vraagt of onze uitgangspunten nog wel passen bij wat we willen bereiken. Want belastingheffing is uiteindelijk niet alleen een technisch vakgebied. Het gaat over de verdeling van lasten en kansen binnen de samenleving. En dat hoort onderwerp te zijn van een democratisch debat dat meer mensen kunnen volgen.
De discussie over box 3 laat zien hoe moeilijk die afweging is. In december 2024 waarschuwde de Raad van State dat het toen voorgestelde stelsel op basis van werkelijk rendement veel complexer zou worden, zowel voor burgers als voor de Belastingdienst. Een regeling kan dus proberen rechtvaardiger te worden en tegelijk een groter beroep doen op een uitvoeringsorganisatie die al onder druk staat.
Wanneer we dat oplossen door extra adviseurs in te huren of steeds betere software te bouwen, pakken we dan het probleem aan? Of maken we vooral een ingewikkeld stelsel langer houdbaar?
Technologie helpt, maar vervangt geen bestuurlijk inzicht
Het kabinet wil AI inzetten om de overheid productiever te maken. Daar liggen mogelijkheden. Gegevens kunnen sneller worden verwerkt, herhaalde administratieve handelingen kunnen verdwijnen en burgers hoeven informatie niet telkens opnieuw aan te leveren. Technologie kan bovendien medewerkers ondersteunen bij ingewikkelde taken en zo ruimte creëren voor werk dat meer aandacht of oordeel vraagt.
Maar een ingewikkelde regeling wordt niet vanzelf begrijpelijk wanneer een computer haar sneller uitvoert. Wie bestaande procedures automatiseert zonder ze eerst ter discussie te stellen, kan dezelfde complexiteit juist in nieuwe systemen vastleggen.
Bovendien moet iemand begrijpen waarom die systemen doen wat ze doen. Daarvoor zijn deskundige medewerkers nodig die technologie kunnen beoordelen, toezicht kunnen houden en besluiten kunnen uitleggen. Een overheid die zelf onvoldoende kennis bezit, wordt anders misschien niet minder afhankelijk, maar afhankelijk van nieuwe leveranciers.
Het roept een ongemakkelijke volgordevraag op. We willen ambtenaren vervangen of ontlasten met technologie, terwijl we juist deskundige mensen nodig hebben om die technologie verantwoord in te voeren. Wie bepaalt welke processen verdwijnen, welke gegevens worden gedeeld en hoe fouten worden hersteld? Zonder eigen kennis wordt zelfs een goed bedoelde modernisering een nieuwe uitbestedingsopgave.
Kunnen we de overheid veranderen zonder democratie in te leveren?
Wat ons betreft begint een slagvaardigere overheid niet met een getal op een bezuinigingslijst, maar met een helder antwoord op wat ze moet bereiken. Wat willen we met een regeling oplossen? Welke resultaten zijn belangrijk? Welke belangen moeten we beschermen en waar accepteren we onvermijdelijk een compromis?
Vervolgens moeten uitvoering en kennis vanaf het begin aan tafel zitten. Niet pas nadat een politiek akkoord is gesloten. Als het doel is om gezonde voeding te stimuleren, moet ruimte bestaan om te onderzoeken welk instrument daarbij past. En als een ingewikkelde belastingregeling niet meer uitvoerbaar is, moeten we durven teruggaan naar de politieke keuze waaruit ze voortkomt.
Ook moeten we onderscheid maken tussen tijdelijk expertise inhuren en blijvend afhankelijk worden van buitenstaanders. Bij iedere grote opdracht zouden we ons kunnen afvragen welke vaardigheden, informatie en verantwoordelijkheid daarna binnen de overheid blijven. Misschien vraagt een kleinere overheid juist om meer gerichte investeringen in haar eigen vakmensen.
Dat zijn geen eenvoudige antwoorden. Regels zijn vaak ontstaan om terecht beschermde belangen te dienen. Schrappen betekent soms dat burgers of ondernemingen erop achteruitgaan. Meer politieke duidelijkheid vraagt dus ook de bereidheid om de gevolgen van keuzes openlijk te verdedigen, en om burgers echte mogelijkheden tot tegenspraak te blijven bieden.
Daarom is de brug van Genua zo’n ongemakkelijke vergelijking. Het resultaat laat zien wat concentratie van bevoegdheden mogelijk kan maken. Maar de vraag blijft of we die snelheid ook kunnen bereiken met heldere verantwoordelijkheden, deskundige ambtenaren en procedures die bescherming bieden zonder iedere beslissing eindeloos uit te stellen.
We begrijpen de ambitie van het kabinet. Maar na het lezen van het artikel over EY vragen we ons ook af af of we de overheid kunnen verkleinen voordat we hebben bepaald welke kennis en uitvoeringskracht ze nodig heeft.
Misschien hebben we niet zozeer een kleinere overheid nodig, maar een overheid die beter weet wat ze wil, begrijpt wat daarvoor nodig is en vervolgens zelf in staat is verantwoordelijkheid te dragen. Niet ondanks onze democratie, maar dankzij een democratie die weer leert kiezen.
Want als de overheid haar problemen alleen nog kan laten oplossen door anderen, wie bestuurt er dan eigenlijk?

