
De belastingheffing over excessief lenen van de eigen bv is volgens Rechtbank Den Haag niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De regeling beperkt het eigendomsrecht, maar die beperking is gerechtvaardigd. De wetgever wil langdurig uitstel of afstel van belastingheffing door aanmerkelijkbelanghouders tegengaan. Volgens de rechtbank bestaat daarbij een redelijke verhouding tussen het doel van de regeling en de gevolgen voor belastingplichtigen. Ook heeft de heffing geen bestraffend karakter.
Fictief regulier voordeel door schuld van ruim 1,2 miljoen euro
De zaak draaide om een dga die in 2023 alle aandelen in een bv bezat. Op 31 december 2023 had hij een schuld van ruim 1,2 miljoen euro aan deze vennootschap.
Voor 2023 gold binnen de regeling voor excessief lenen een maximumbedrag van 700.000 euro. Daarom nam de dga in zijn aangifte inkomstenbelasting een fictief regulier voordeel van 572.292 euro op. Dit bedrag werd belast als inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2.
De Belastingdienst volgde de aangifte. De dga stelde vervolgens dat de wettelijke regeling in strijd was met het eigendomsrecht uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarnaast deed hij een beroep op de artikelen 6 en 7 EVRM.
Hoe werkt de regeling voor excessief lenen?
De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap geldt sinds 1 januari 2023. De regeling belast het bovenmatige deel van schulden aan vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.
Daarbij tellen in beginsel de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder en de fiscale partner gezamenlijk mee. Ook schulden aan meerdere eigen vennootschappen worden bij elkaar opgeteld. Het toetsmoment ligt steeds op 31 december.
In 2023 bedroeg de wettelijke drempel 700.000 euro. Sinds 2024 bedraagt de basisdrempel 500.000 euro. Het deel van de schulden boven het toepasselijke maximumbedrag geldt als fictief regulier voordeel in box 2. De civielrechtelijke lening blijft ondertussen volledig bestaan.
Kwalificerende eigenwoningschulden blijven buiten beschouwing. Voor schulden die na 31 december 2022 zijn aangegaan, moet de bv in beginsel een hypotheekrecht op de woning hebben. Bij een latere aflossing kan bovendien een negatief fictief regulier voordeel ontstaan.
Legitiem doel en voldoende wettelijke basis
Belastingheffing vormt een inmenging in het eigendomsrecht. Zo’n inmenging is toegestaan wanneer zij berust op een toegankelijke en voorzienbare wettelijke regeling, een algemeen belang dient en proportioneel is.
Volgens de rechtbank voldoet de regeling aan deze voorwaarden. De wettelijke bepalingen zijn voldoende nauwkeurig en voorzienbaar. Het ontbreken van een tegenbewijsregeling voor bepaalde leningen verandert dat oordeel niet.
Ook het doel van de wet is volgens de rechtbank legitiem. De regeling voorkomt dat aanmerkelijkbelanghouders liquide middelen langdurig als lening opnemen, terwijl bij een dividenduitkering of loonbetaling eerder belasting verschuldigd zou zijn. De wetgever mag op fiscaal terrein ruime keuzes maken om dergelijk belastinguitstel of belastingafstel te beperken.
Redelijke verhouding tussen doel en gevolgen
De rechtbank vindt dat de wetgever voldoende rekening heeft gehouden met de positie van belastingplichtigen. De maatregel werd in september 2018 aangekondigd. Daardoor bestond ongeveer vijf jaar om rekening te houden met de nieuwe belastingheffing.
Daarnaast verhoogde de wetgever de aanvankelijk voorgestelde drempel voor 2023 van 500.000 euro naar 700.000 euro. Ook bleven kwalificerende eigenwoningschulden buiten de regeling. Verder kan een aflossing van een eerder belast bovenmatig schulddeel leiden tot een negatief regulier voordeel.
Deze elementen zorgen volgens de rechtbank voor een redelijke verhouding tussen het algemene belang en de financiële gevolgen voor individuele belastingplichtigen. Ook van verboden ongelijke behandeling is geen sprake.
Heffing heeft geen bestraffend karakter
Het beroep op de artikelen 6 en 7 EVRM slaagde evenmin. Volgens de rechtbank vormt het fictieve reguliere voordeel geen strafrechtelijke sanctie.
De regeling kan lenen bij de eigen bv ontmoedigen. Dat maakt de belastingheffing echter nog niet bestraffend. De maatregel is niet bedoeld om leed toe te voegen, maar om belastingheffing te laten aansluiten bij bedragen waarover de aanmerkelijkbelanghouder daadwerkelijk kon beschikken.
Ook de vergelijking met de voormalige box 3-heffing gaat niet op. Bij excessief lenen wordt geen belasting geheven over een forfaitair rendement, maar over daadwerkelijk aan de eigen vennootschap onttrokken gelden.
Conclusie
Rechtbank Den Haag bevestigt dat de heffing over een fictief regulier voordeel bij excessief lenen van de eigen bv verenigbaar is met het EVRM. De regeling heeft een wettelijke basis, dient een legitiem algemeen belang en is volgens de rechtbank proportioneel. De uitspraak verduidelijkt daarmee de juridische positie van de sinds 2023 geldende regeling.
Zeker weten dat je als dga fiscaal goed zit?



