
De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft gereageerd op het concept voor de veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024. Het voorstel verwerkt afspraken uit het internationale Side-by-Side-pakket in de Nederlandse wetgeving. De veiligehavenregels moeten de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting eenvoudiger maken. De NOB betwijfelt echter of de voorgestelde regeling dat doel volledig bereikt. In haar consultatiereactie vraagt de organisatie vooral om duidelijkheid, een betere technische uitwerking en beperking van aanvullende administratieve lasten.
Vereenvoudiging blijft volgens de NOB onzeker
Het Side-by-Side-pakket bevat verschillende maatregelen die de uitvoering van Pijler 2 moeten vereenvoudigen. Het gaat onder meer om de Routine Profits Test, de De Minimis Test en aanpassingen aan de bijheffing-informatieaangifte.
Volgens de NOB is niet duidelijk wat de actuele status van deze maatregelen is. Een deel ervan zou naar verwachting in de eerste helft van 2026 worden afgerond. De organisatie vraagt daarom hoe deze internationale uitwerking zich verhoudt tot het Nederlandse wetsvoorstel.
Daarnaast plaatst de NOB vraagtekens bij de vereenvoudigde regel voor het effectieve belastingtarief. Voor toepassing blijven veel correcties en nieuwe integriteitsregels nodig. Blijkt het tarief na die berekeningen lager dan 15 procent, dan moet alsnog een volledige berekening volgens de Wet minimumbelasting 2024 worden gemaakt. Daardoor kunnen twee berekeningen naast elkaar nodig zijn. De beoogde lastenverlichting blijft dan beperkt.
Onduidelijkheid over fiscale stimuleringsregelingen
Het wetsvoorstel introduceert het begrip kwalificerende fiscale stimuleringsregeling. De NOB vraagt welke bestaande Nederlandse regelingen aan deze definitie voldoen.
Ook wil de organisatie weten of de regering aanpassingen overweegt waardoor meer Nederlandse stimuleringsregelingen kunnen kwalificeren. Daarbij gaat het niet uitsluitend om het effect op de effectieve belastingdruk. De NOB vraagt eveneens aandacht voor de positie van Nederland als innovatieland. Wanneer slechts weinig regelingen kwalificeren, kan dat volgens de organisatie gevolgen hebben voor het internationale beeld van het Nederlandse vestigingsklimaat.
Technische vragen bij de ETR-veiligehavenregel
De NOB signaleert meerdere punten die in de wettekst nadere uitleg vragen. Zo is niet volledig duidelijk welke groepsentiteiten gezamenlijk binnen dezelfde getoetste staat mogen worden beoordeeld. Bevestiging is nodig dat voor bepaalde beleggingsentiteiten en andere groepsonderdelen geen afzonderlijke berekening van het effectieve belastingtarief hoeft plaats te vinden.
Ook de regeling voor fusies en overnames roept vragen op. Het internationale pakket lijkt een keuzemogelijkheid te bieden. De Nederlandse tekst kan echter zo worden gelezen dat toepassing verplicht is zodra aan de voorwaarden wordt voldaan. De NOB vraagt om expliciet vast te leggen of sprake is van een keuze of een automatische toepassing.
Verder bevat het voorstel volgens de organisatie verschillende mogelijk onjuiste verwijzingen. Sommige bepalingen verwijzen naar niet-bestaande artikelleden of lijken naar zichzelf te verwijzen. Hoewel het vermoedelijk om verschrijvingen gaat, acht de NOB correctie noodzakelijk voor een duidelijke en goed uitvoerbare wet.
Verslaggevingsstandaard vraagt nadere uitwerking
Een belangrijk aandachtspunt is de financiële verslaggevingsstandaard waarmee het effectieve belastingtarief wordt berekend. Dat kan de lokale standaard zijn, maar mogelijk ook de standaard die de uiteindelijke moederentiteit gebruikt voor de geconsolideerde jaarrekening.
De NOB vraagt welke standaard Nederland verlangt en of belastingplichtige groepen hierin een keuze hebben. Ook moeten de voorwaarden voor een eventuele afwijking duidelijk worden vastgelegd. Omdat de gekozen standaard rechtstreeks invloed kan hebben op de berekening, vraagt de organisatie om een nadere toelichting met praktische voorbeelden.
Vragen over equivalente minimumbelastingstelsels
Tot slot vraagt de NOB aandacht voor buitenlandse belastingstelsels die als gelijkwaardig aan Pijler 2 kunnen worden aangemerkt. De voorgestelde termijnen noemen verzoeken die in 2027 of 2028 bij het Inclusive Framework worden ingediend. De organisatie wil bevestigd zien dat ook een verzoek uit 2026 toegang kan geven tot de veiligehavenregel.
Daarnaast is onduidelijk hoe zichtbaar wordt welke landen zo’n verzoek hebben ingediend. Opname in het internationale Central Record lijkt volgens de voorgestelde tekst niet vereist. Zonder een openbaar of toegankelijk overzicht kan onzekerheid ontstaan over de toepassing van de regeling.
Conclusie
De NOB ondersteunt het streven om de Wet minimumbelasting 2024 eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken. Tegelijkertijd laat haar reactie zien dat de voorgestelde veiligehavenregels nog veel uitleg en technische correcties vragen. Vooral de administratieve lasten, fiscale stimuleringsregelingen, verslaggevingsstandaarden en toepassing van buitenlandse equivalente stelsels verdienen volgens de organisatie verdere uitwerking. De behandeling van het definitieve wetsvoorstel moet uitwijzen in hoeverre deze aandachtspunten worden verwerkt.
Meer weten over de Wet minimumbelasting 2024?



