
De wereldwijde minimumbelasting voor multinationals van 15% schuift een nieuwe fase in. Binnen de OESO is een zogenoemd ‘side-by-side’ pakket afgesproken. Daarmee kan het Amerikaanse stelsel naast Pijler 2 (Pillar 2) bestaan, terwijl de EU vasthoudt aan de strengere ondergrens per land. In Nederland geldt de Wet minimumbelasting 2024 al. Wat is er precies besloten, waar zit het verschil met de VS en wat zijn de gevolgen?
Wat is er besloten binnen de OESO?
Eind 2025 en begin 2026 bereikten ruim 145 landen politieke overeenstemming over een pakket dat de doelen van Pijler 2 moet behouden en tegelijk de co-existentie met het Amerikaanse systeem mogelijk maakt. Het 15%-minimum blijft het uitgangspunt. Wel komen er vereenvoudigingen en extra safe harbours om de uitvoerbaarheid te verbeteren.
Wereldwijde minimumbelasting vs. Amerikaanse benadering
Kernverschil is de manier van middelen. Pijler 2 werkt met ‘jurisdictional blending’ wat wil zeggen dat het effectieve tarief per land wordt getoetst. Het Amerikaanse regime hanteert ‘global blending’ waarbij buitenlandse winsten en belastingen wereldwijd worden gemiddeld. Lage tarieven in het ene land kunnen zo worden gecompenseerd door hogere elders. Dat leidt tot andere uitkomsten dan onder Pijler 2.
Hoe past de EU dit toe?
De EU-richtlijn Pijler 2 is door de lidstaten uitgerold. Nederland implementeerde die via de Wet minimumbelasting 2024, in werking sinds 31 december 2023. De wet borgt dat multinationals en omvangrijke binnenlandse groepen met een omzet vanaf €750 miljoen ten minste 15% effectief betalen, per jurisdictie. Top-up heffing loopt via QDMTT, IIR en UTPR in vaste volgorde.
Wat betekent het ‘side-by-side’ pakket in de praktijk?
Het OESO-pakket introduceert permanente vereenvoudigingen. Denk aan een vereenvoudigde ETR-safe harbour, een nadere afstemming van substance-gebaseerde elementen en spelregels voor de co-existentie met bestaande minimumstelsels. Met als doel om complexiteit te verminderen zonder het minimum te uithollen. Lidstaten benadrukken dat de oorspronkelijke doelstellingen – het tegengaan van grondslaguitholling en een gelijker speelveld – overeind blijven.
Nederlandse context
Voor de Nederlandse uitvoering verandert de wettelijke ondergrens niet, dat blijft gewoon15% per land. Wel kunnen internationale verschillen in berekening en vrijstellingen leiden tot staartjes in de administratieve doorwerking. De OESO-vereenvoudigingen beloven verlichting, maar de details vergen nog technische uitwerking in nationale regelgeving en beleidsbesluiten.
Raming en beleid: opbrengsten blijven onzeker
Budgettaire opbrengsten van de wereldwijde minimumbelasting blijven onzeker. Gedragseffecten, verschillen in nationale stimulansen en safe harbours kunnen de uitkomst beïnvloeden. Het CPB wijst er stelselmatig op dat ramingen gevoelig zijn voor aannames en gedrag. Bijstellingen – omhoog of omlaag – blijven daarom waarschijnlijk naarmate praktijkervaring toeneemt.
De komende maanden zullen meer duidelijkheid geven
De wereldwijde minimumbelasting blijft staan, maar de internationale architectuur wordt pragmatischer. Met het ‘side-by-side’ pakket ontstaat ruimte voor het Amerikaanse model naast Pijler 2. De EU, en daarmee Nederland, houdt vast aan toetsing per land. Voor de Nederlandse praktijk is de boodschap duidelijk: het 15%-minimum per jurisdictie blijft de norm, terwijl OESO-vereenvoudigingen de uitvoering moeten stroomlijnen. De komende maanden zal blijken hoe de technische uitwerking landt in regelgeving, rapportage en toezicht.
Wil je meer weten over de minimumbelasting?



