
Aan de saga van de Wet werkelijk rendement box 3 lijkt voorlopig nog geen einde te komen. De Eerste Kamer heeft de stemming uitgesteld, waardoor het kabinet meer tijd krijgt om bezwaren tegen het wetsvoorstel te wegen. Vooral de heffing over papieren winsten ligt gevoelig. Tegelijkertijd speelt een fors budgettair belang mee. Daardoor draait het debat niet alleen om fiscale techniek, maar ook om dekking, uitvoerbaarheid en politieke haalbaarheid. Voor belastingplichtigen met vermogen in box 3 blijft daarmee onduidelijk hoe de belastingheffing vanaf 2028 precies wordt ingericht.
Waarom stelt de Eerste Kamer de stemming uit
De Eerste Kamer heeft de stemming over de Wet werkelijk rendement box 3 uitgesteld. Daarmee voorkomt de senaat dat het wetsvoorstel al voor de zomer strandt. Het kabinet krijgt ruimte om varianten en aanpassingen verder uit te werken.
Volgens de Eerste Kamer ligt het wetsvoorstel inmiddels in de plenaire fase. De kern van het voorstel is dat box 3 in beginsel wordt gebaseerd op werkelijk rendement via een vermogensaanwasbelasting. Daarbij tellen ook positieve en negatieve waardeontwikkelingen mee. Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen geldt in het voorstel een uitzondering via belastingheffing bij realisatie.
Het uitstel geeft vooral lucht in een politiek gespannen dossier. Verschillende fracties hebben inhoudelijke bezwaren, maar willen het voorstel ook niet zonder meer laten vallen. Dat zou namelijk direct gevolgen hebben voor de begroting en voor de planning richting het beoogde nieuwe stelsel per 1 januari 2028.
Papieren winsten blijven het knelpunt
Het grootste pijnpunt is de belastingheffing over niet-gerealiseerde waardestijgingen. In de politieke discussie wordt dit vaak aangeduid als belasting over papieren winsten. Daarbij ontstaat belastingdruk terwijl een vermogensbestanddeel nog niet is verkocht.
Juist dat element maakt de vermogensaanwasbelasting kwetsbaar in het debat. Een deel van de Eerste Kamer ziet meer in een vermogenswinstbelasting. Dan komt belastingheffing pas aan de orde wanneer winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.
Daarmee schuift de discussie naar een fundamentele keuze. Moet het stelsel jaarlijks zo nauw mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement, ook als dat nog niet is verzilverd. Of moet de heffing vooral aansluiten bij gerealiseerde opbrengsten. Die keuze raakt niet alleen beleggingen, maar ook uitvoerbaarheid, liquiditeit en de budgettaire opbrengst.
Wat staat er financieel op het spel
Het kabinet waarschuwt voor grote budgettaire gevolgen als het wetsvoorstel wegvalt of fors wordt aangepast. In het debat speelt mee dat opbrengsten uit box 3 al zijn meegenomen in de begrotingssystematiek. Minder opbrengst vraagt daarom om dekking.
Dat maakt de ruimte voor aanpassingen beperkt. Ook verbeteringen aan het wetsvoorstel kunnen geld kosten. Denk aan ruimere verliesverrekening of extra uitzonderingen voor specifieke vermogensbestanddelen. Politiek kan zo’n aanpassing aantrekkelijk lijken, maar fiscaal en budgettair ontstaat dan direct een vervolgvraag.
Bovendien is nog onduidelijk hoeveel ruimte ontstaat uit de hersteloperatie box 3. Het kabinet verwacht pas later meer zicht op de werkelijke omvang daarvan. Daardoor kunnen mogelijke meevallers op dit moment niet stevig worden ingeboekt.
Welke aanpassingen liggen op tafel?
De Eerste Kamercommissie besprak op 23 juni 2026 een brief van staatssecretaris Eelco Eerenberg over opties om het wetsvoorstel aan te passen. Die brief werd betrokken bij de plenaire behandeling van 30 juni 2026. De commissie besloot bovendien om de brief na dat debat opnieuw te agenderen.
Daarmee ligt de bal voorlopig bij het kabinet. Mogelijke verbeteringen kunnen gaan over verliesverrekening, uitzonderingen voor startende ondernemingen en de verdere route naar een vermogenswinstbelasting. Tegelijkertijd vraagt de senaat om meer zekerheid over de tijdelijkheid van de gekozen oplossing.
Wat betekent dit voor de invoering per 2028
De beoogde invoeringsdatum blijft 1 januari 2028. De Rijksoverheid meldde eerder dat het wetsvoorstel bedoeld is om vanaf die datum belasting te heffen over werkelijk rendement in box 3. Daarbij bestaat het rendement uit direct rendement, zoals rente, huur en dividend, en indirect rendement, zoals waardeontwikkeling.
Toch neemt de onzekerheid toe. Als het kabinet met een aangepast voorstel komt, moeten beide Kamers zich daar opnieuw over buigen. Daarna moeten ook uitvoeringsorganisaties en financiële instellingen voldoende tijd houden om systemen en gegevensstromen in te richten.
De komende politieke momenten zijn daarom bepalend. Rond Prinsjesdag moet duidelijker worden welke route het kabinet kiest. Daarna volgt de parlementaire beoordeling. Pas dan ontstaat meer zicht op de vorm waarin de Wet werkelijk rendement box 3 verdergaat.
Conclusie
De Wet werkelijk rendement box 3 is niet van tafel, maar de politieke steun is onzeker. De Eerste Kamer geeft het kabinet extra tijd, vooral vanwege bezwaren tegen belastingheffing over papieren winsten. Tegelijkertijd blijft de financiële druk groot, omdat uitstel of afstel gevolgen heeft voor de begroting. De vraag blijft dus of box 3 vanaf 2028 vooral ingericht wordt rond vermogensaanwas, of schuift het stelsel nadrukkelijker richting vermogenswinst?
Meer weten over vermogensaanwasbelasting?



