
De verrekening van Belgische bronbelasting kan ertoe leiden dat een Nederlandse belastingplichtige een deel van zijn heffingskortingen niet kan benutten. Volgens de Hoge Raad vormt dat in deze zaak een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. Daarmee is de procedure echter nog niet beslist. De Hoge Raad twijfelt namelijk of de Nederlandse regeling toch kan worden gerechtvaardigd en legt die vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het arrest van 4 september 2026 maakt vooral duidelijk hoe belangrijk de volgorde is waarin buitenlandse bronbelasting en heffingskortingen worden verwerkt.
Belgische bronbelasting leidt tot verlies van heffingskortingen
De zaak betreft een inwoner van Nederland die in 2017 € 21.150 dividend ontving op aandelen in een Belgische vennootschap. België hield daarop 30 procent bronbelasting in. Voor de Nederlandse voorkoming van dubbele belasting kwam 15 procent van het dividend in aanmerking. Dat was € 3.173.
Omdat het belastbare box 3-inkomen in 2017 nihil was, kon dit bedrag dat jaar niet worden verrekend. De inspecteur stelde daarom een beschikking vast waarmee € 3.173 werd doorgeschoven naar een volgend jaar.
In 2018 bedroeg de box 3-belasting € 3.266. Eerst werd de doorgeschoven Belgische bronbelasting van € 3.173 daarvan afgetrokken. Daardoor resteerde slechts € 93 aan inkomstenbelasting. De belastingplichtige had in beginsel recht op € 2.396 aan algemene heffingskorting en arbeidskorting. Hiervan kon uiteindelijk slechts € 93 worden benut. De aanslag kwam daardoor uit op nihil.
Waarom is de volgorde van verrekening zo belangrijk?
Heffingskortingen verlagen rechtstreeks het bedrag aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Voor het inkomstenbelastingdeel geldt echter dat de korting niet hoger kan zijn dan het bedrag aan inkomstenbelasting dat na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting resteert.
Een niet-benutte heffingskorting kan bovendien niet worden doorgeschoven naar een volgend jaar. Bij buitenlandse bronbelasting bestaat die mogelijkheid onder voorwaarden wel. Precies die combinatie speelt in deze zaak. De buitenlandse bronbelasting kreeg voorrang, terwijl het daardoor niet-benutte deel van de heffingskortingen definitief verloren ging.
Buitenlandse bronbelasting is geen Nederlandse voorheffing
De belastingplichtige stelde onder meer dat Nederland de Belgische bronbelasting op dezelfde manier moest behandelen als Nederlandse dividendbelasting. Dat standpunt volgt de Hoge Raad niet.
Nederlandse dividendbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Als verrekenbare Nederlandse voorheffingen hoger zijn dan de aanslag, kan het verschil worden uitbetaald. Buitenlandse dividendbelasting heeft die positie niet. Het Unierecht verplicht Nederland volgens de Hoge Raad ook niet om belasting die door een andere lidstaat is geheven uit te betalen. De klachten op dit onderdeel falen.
Ook de klacht dat de verrekening ten onrechte beperkt bleef tot box 3 kon de belastingplichtige niet helpen. In 2018 had hij geen belastbaar inkomen in box 1 of box 2. Daardoor ontbrak volgens de Hoge Raad belang bij deze klacht.
Vrij kapitaalverkeer komt wel in het gedrang
Op een ander punt krijgt de belastingplichtige gedeeltelijk wel gelijk. De Hoge Raad stelt vast dat het verlies van heffingskortingen beleggen in aandelen van een vennootschap in een andere EU-lidstaat minder aantrekkelijk kan maken dan beleggen in Nederlandse aandelen.
Daarmee vormt de regeling in een geval als dit een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. Dat zulke situaties mogelijk weinig voorkomen of om relatief beperkte bedragen gaan, maakt volgens de Hoge Raad geen verschil. Ook een geringe of sporadisch voorkomende ongerechtvaardigde belemmering kan in strijd zijn met het Unierecht.
EU-Hof moet duidelijkheid geven over rechtvaardiging
Daarmee is nog niet vastgesteld dat de Nederlandse regeling definitief in strijd is met het Unierecht. Daarvoor moet ook worden beoordeeld of een voldoende rechtvaardiging voor de belemmering bestaat.
Bij de totstandkoming van de wettelijke volgorde speelden praktische redenen een rol. De Hoge Raad betwijfelt of zulke praktische en administratieve overwegingen voldoende zijn. Tegelijkertijd ziet de Hoge Raad verschillen met eerdere Europese rechtspraak over persoonlijke fiscale tegemoetkomingen. Daarom legt hij de vraag voor aan het Hof van Justitie. Het geding is in afwachting van dat antwoord geschorst.
Conclusie
Het arrest laat zien dat de fiscale uitkomst niet alleen wordt bepaald door het bedrag aan Belgische bronbelasting en heffingskortingen. Ook de wettelijke volgorde waarin beide worden toegepast is bepalend. Volgens de Hoge Raad leidt die volgorde in deze zaak tot een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. Of daarvoor een geldige rechtvaardiging bestaat, moet het EU-Hof nu beoordelen. Tot dat moment blijft de uiteindelijke uitkomst van deze procedure open.
Heb je specifieke vragen over heffingskortingen?



