
Marnix van Rij kijkt inmiddels vanuit Washington naar economie, begrotingsbeleid en fiscaliteit. Als bewindvoerder bij het Internationaal Monetair Fonds vertegenwoordigt hij de Nederlands-Belgische kiesgroep. Toch blijft ook zijn vorige functie als staatssecretaris van Financien zichtbaar in zijn analyse. Vooral het box 3 dossier laat zien hoe lastig het is om fiscale rechtvaardigheid, politieke keuzes en uitvoerbaarheid bij elkaar te brengen. We spraken hem voor ons magazine FiscaalAdvies over zijn werk bij het IMF en de belastingheffing op vermogen schetst Van Rij een genuanceerd beeld. Niet van snelle oplossingen, maar van afwegingen die in de praktijk zelden eenvoudig zijn.
Van Den Haag naar Washington
Bij het IMF zit Van Rij naar eigen zeggen meerdere keren per week met de hele wereld om tafel. Daar worden economische problemen besproken die raken aan begrotingen, centrale banken, financiele stabiliteit en hervormingen.
Het IMF verstrekt leningen aan landen die monetair of economisch in de knel komen. Die steun staat niet op zichzelf. Er hoort meestal een stevig hervormingsprogramma bij. Volgens Van Rij kan zo’n programma alleen slagen als de politiek in het betreffende land zich er echt verantwoordelijk voor voelt.
Naast noodsteun maakt het IMF jaarlijks een diagnose van de economie van ieder lidland. Daarin komen onder meer monetair beleid, begrotingspolitiek, arbeidsmarkt, zorg en pensioenbeleid aan bod. Van Rij ziet zijn eigen rol als die van een internationale financiele diplomaat. Hij vertegenwoordigt landen, verbindt partijen en brengt zijn fiscale, bestuurlijke en politieke ervaring mee.
Fiscaliteit als wereldwijde bouwsteen
Wie denkt dat het IMF vooral over macro-economie spreekt, mist volgens Van Rij een belangrijk deel van het verhaal. Fiscaliteit is essentieel. Vooral de inkomstenkant van de begroting verdient veel aandacht.
In sommige landen zijn de belastingopbrengsten nog beperkt. Dan gaat het om het versterken van de inkomstenbasis. Dat kan door btw in te voeren, belastinggrondslagen te verbreden of minder doelmatige fiscale regelingen af te bouwen.
Van Rij merkt dat zijn fiscale achtergrond onderscheidend is. Aan de bestuurstafel zitten vooral macro-economen. Zijn ervaring ligt juist op het snijvlak van fiscaliteit, wetgeving, uitvoering en politiek. Die combinatie speelt ook een grote rol in zijn kijk op Nederland.
Waarom Nederland opvalt
Van Rij noemt het Nederlandse begrotings- en belastingbeleid internationaal sterk. Dat heeft volgens hem vooral te maken met de begrotingsregels die sinds 1994 bestaan. Nederland werkt met prudent en trendmatig begrotingsbeleid, een uitgavenplafond en een duidelijke scheiding tussen inkomsten en uitgaven.
Die systematiek zorgt voor rust. Bij economische tegenwind hoeft de overheid niet meteen te bezuinigen. Bij meevallers gaat de plus eerst naar vermindering van de staatsschuld. Tegelijk ziet Van Rij dat politieke verhoudingen ertoe doen. Bij een minderheidskabinet wordt het begrotingsproces kwetsbaarder, omdat steun in beide Kamers nodig blijft.
Box 3 als dossier zonder makkelijke uitgang
Toen Van Rij staatssecretaris werd, kreeg hij de opdracht om werkelijk rendement te belasten. Kort daarna volgde het kerstarrest van de Hoge Raad. Daarmee veranderde het dossier direct van karakter.
Van Rij werkte met een drieslag. Eerst moest het verleden worden opgelost. Daarna moest er een overgangsregeling komen. Vervolgens moest een nieuw stelsel worden voorbereid.
Voor bezwaarmakers kwam rechtsherstel. Bij niet-bezwaarmakers speelde een zware afweging. In 2022 vroeg ook de energiecrisis om politieke keuzes. Het kabinet koos ervoor om lage inkomens te ondersteunen. Tegelijk kwamen er procesafspraken met beroepsorganisaties en de Consumentenbond om een stroom aan bezwaren te voorkomen.
De overgangsregeling bleef kwetsbaar
De overgangsregeling was volgens Van Rij ingewikkeld door inhoud en uitvoering. De ICT-systemen konden op korte termijn geen onderscheid maken tussen afzonderlijke rendementen op obligaties, aandelen en vastgoed. Daardoor bleef de categorie overige beleggingen breed.
Voor spaarders werkte het forfaitaire rendement beter, omdat het dichter bij de ontvangen rente lag. Voor beleggers in aandelen, obligaties en vastgoed lag dat anders. Later leidden uitspraken van de Hoge Raad tot een tegenbewijsregeling. De overgangsregeling bleef bestaan, maar werd juridisch aangepast. Volgens Van Rij zorgt dat nog steeds voor veel verzoeken om aanslagen te verminderen.
Werkelijk rendement vraagt om compromissen
Van Rij werkte ondertussen aan een nieuw stelsel voor werkelijk rendement box 3. In eerste instantie dacht hij aan vermogensaanwas voor alle vermogensbestanddelen. Politiek bleek dat niet haalbaar. Vooral illiquide beleggingen, zoals vastgoed en belangen in start- en scale-ups, riepen vragen op.
Daarom kwam er een hybride stelsel. Liquide beleggingen worden belast op basis van vermogensaanwas. Illiquide beleggingen worden belast op basis van gerealiseerde vermogenswinst. Direct rendement, zoals rente, dividend en huur minus kosten, wordt jaarlijks belast.
Van Rij noemt ideale wetgeving niet realistisch. Een stelsel moet niet alleen aansluiten bij fiscale beginselen, maar ook uitvoerbaar zijn. Bovendien moet er politiek draagvlak zijn. In zijn ogen doet het wetsontwerp Werkelijk Rendement een serieuze poging om die belangen bij elkaar te brengen.
Conclusie
Het gesprek met Marnix van Rij laat zien hoe dicht fiscaliteit, politiek en uitvoering bij elkaar liggen. Bij het IMF ziet hij hoe landen worstelen met inkomsten, hervormingen en economische stabiliteit. In Nederland komt die spanning scherp terug in box 3. De oude vermogensrendementsheffing bood eenvoud, maar verloor haar houdbaarheid. Werkelijk rendement box 3 brengt meer rechtvaardigheid dichterbij, maar vraagt ook om complexere keuzes. Wil je het volledige interview met Marnix van Rij lezen? Dat kan met een abonnement op Tex.
Heb je vragen over box 3?



